Tag Archives: levensloop

Moeder als manager

In mijn vorige drie blogs over gezinnen met kinderen en werkende partners, heb ik het opvoeden en het huishouden als één full time taak beschouwd. In deze  vierde en voorlopig laatste blog belicht ik een belangrijk aspect daarvan, namelijk het management van het gezin. Zelfs als ze beiden vier dagen werken, is moeder de vrouw veelal niet geneigd het management te delen. Zij houdt het overzicht, signaleert, regelt, instrueert, plant.

Management in een gezin is een taak zonder begin en einde, het is er 24/7. Het is als een volcontinudienst zonder ploegenstelsel.

De manier waarop gesproken wordt over de taakverdeling laat zien dat het management bij de moeder ligt. Voor iedereen is een deeltaak: Papadag, Oma-en-Opa-dag, de crêchedag, de schooldag. Maar mamadag?  De hits op internet gaan vooral over Moederdag… Als je wilt dat dit verandert, let dan op je woorden, want ze sturen je gedachten (en van iedereen in het gezin). Dus Pappa past niet op, Pappa is er en zorgt voor alles wat er gedaan moet worden.

Als je toch graag zelf het management doet, doe het dan ook efficiënt. Gebruik de managementtechnieken[1], die ook gelden waar betaald gewerkt wordt, om het draaiend houden van je gezin te stroomlijnen. Een gezin is in veel opzichten een sociale onderneming.

Het begint ermee dat je je focus kiest.  Waar ben je van en waarvan niet? Dat is vergelijkbaar met wat een onderneming doet: wat is mijn core business? Bespreek als partners je visie wat je belangrijk vindt in je gezin; dat doe je al impliciet maar expliciteren helpt. Een gezin kan op heel veel manieren gestalte krijgen. Bij de één is het een zoete inval,  bij de ander wordt veel muziek gemaakt, bij de derde is het huis netjes en schoon op elk moment van de dag. Als je weet wat je echt belangrijk vindt, hou je daar dan ook aan. Dat scheelt enorm veel schuldgevoel, want al het andere is dus niet van toepassing. Bij de zoete inval kan het niet altijd netjes zijn, wie veel tijd steekt in (samen) musiceren kan niet rust en stilte in huis hebben.  Toen mijn vader met mijn moeder trouwde, zei hij: “Bij mijn moeder mocht altijd alles, ik hoop dat dat bij ons ook kan.” Niet letterlijk natuurlijk, maar in de zin dat er altijd mensen/kinderen konden blijven eten of slapen en initiatieven van de gezinsleden werden aangemoedigd. Deze slogan heb ik mijn hele kindertijd gehoord en mijn ouders hebben het samen waar gemaakt.

Betrek je gezinsleden bij zaken die niet goed gaan. Kinderen, net als mensen op het werk, willen wel veranderen maar niet veranderd worden. Om van je partner maar niet te spreken. Als er altijd vuile was rondslingert, blijf die dan niet zelf opruimen met een steeds slechter wordend humeur. Stel het aan de orde en je zult verbaasd staan van de creatieve oplossingen.

Het helpt zelfs om je gezinsleden af en toe als klanten te beschouwen. De klant is geen koning, het is niet “U vraagt, wij draaien”. Maar je wilt je klanten wel tevreden houden. De maaltijd is een mooi voorbeeld van hoe elke klant iets anders wil. Je gaat uiteraard niet vier maaltijden koken. Maar er zijn wel creatieve vormen waardoor er voor elk wat wils is. Zo heb ik een “pastatafel” ontwikkeld, vergelijkbaar met “rijsttafel”. De pasta is in één schaal, alle dingen die je erin of erbij zou kunnen doen, staan in aparte schaaltjes op tafel: geraspte kaas, tomatensaus, geruld gekruid gehakt, gesneden basilicum, gebakken champignons etc.

Ook bij efficiënt management blijft een gezin met twee werkkringen en twee kinderen een hectisch geheel. Af en toe is de manager dan ook over haar toeren. Misschien heb je dan iets aan de tips in mijn blogs “Spitsuur van het leven”.

 

[1] Ik heb een oud boekje: “Mevrouw als manager”, geschreven door Christiane Collange. Het is humoristisch en het brengt je op ideeën. Nog antiquarisch verkrijgbaar.


Eerlijk zullen we alles delen

Dit is de derde blog in een serie van vier over de combinatie van een gezin en betaald werk.

Zolang er een kind onder de 6 jaar is, zijn de opvoeding en het huishouden samen een full time taak. Het verdienen van een inkomen is dat ook. Twee full time taken voor twee mensen kunnen op elke gewenste manier worden verdeeld. Zodra echter meer dan 1 werkweek betaald gewerkt wordt, overstijgt dat de beschikbare tijd. Die moet dus gekocht en betaald worden (door opvang, huishoudelijke hulp etc.)

Bij veel paren is het bedrag dat vader per uur buitenshuis kan verdienen hoger dan wat moeder per uur kan verdienen.[1] Dit leidt dan tot de financieel voordelige verdeling van buitenshuis en binnenshuis werken waarbij vader veel meer uren betaald werkt dan moeder. De roemruchte 1,5 inkomen situatie. Of nog sterker, er wordt gesteld: “Ga jij maar niet werken, want wat je verdient, gaat toch (grotendeels) op aan vergoeding voor kinderopvang/huishouden.”

Dit is niet eerlijk delen, dit is zoveel mogelijk verdienen als economische eenheid (gezin). Indirect verdient moeder nu ook evenveel als vader: immers zij doet de full time taak die niet rechtstreeks met geld wordt beloond, waardoor vader zijn uren kan werken.

Wat is wel eerlijk delen? Er is één taak,  die 40 uren werk vergt verspreid over 24/7, maar niets handje contantje oplevert. Het is echter een heel belangrijke gezamenlijke taak: het opvoeden van kinderen (en daar hoort het huishouden bij). Eerlijk is dan :ieder voor de helft verantwoordelijk. Inkomen verdienen is ook één full time taak: ieder voor de helft verantwoordelijk.

De uren die vader betaald werkt in de tijd dat hij verantwoordelijk is voor de thuistaak, moet hij zelf voor vervanging zorgen. Hij betaalt dus de oppas, huishoudelijke hulp of wat hij maar nodig acht en zorgt ook dat die er is. En voor moeder geldt hetzelfde. Ook zij kan kiezen om haar halve week thuistijd uit te besteden. Als ze samen besluiten dat hij zijn vrouw inhuurt voor de helft die hij verantwoordelijk is (zij is thuismoeder, hij de enige kostwinner[2]) dan is het eerlijk om dat te laten terugkomen in de verdeling van het inkomen.

Daarbij helpt de nieuwe wetgeving, waarbij  het huwelijk standaard op huwelijkse voorwaarden wordt gesloten. Juist voor niet of weinig betaald-werkende partners kan dit een goede zaak zijn, als je even de moeite neemt om eerlijke voorwaarden te maken. Dat is het geval bij een beding, dat beiden naar rato van het inkomen per maand geld bijdragen aan de gemeenschappelijke huishoudpot. Aan het eind van het jaar moet dan verrekend worden: wat ieder aan verdiend geld over heeft, wordt opgeteld en ieder krijgt de helft. Zo wordt het geld dat de niet-betaald-werkende ouder indirect heeft verdiend, zichtbaar en aan haar uitbetaald, na aftrek van de kosten van levensonderhoud van allen.

Waarom is het belangrijk om hier zo mee officieel en duidelijk mee om te gaan? Je maakt zo je keuzes bewust èn je opvatting over wat eerlijk delen is. Dat voorkómt latere wrok als de consequenties van je keuzes merkbaar worden: heb je veel buitenshuis gewerkt, dan heb je veel gemist van het opgroeien van je kinderen  en als je veel thuis hebt gewerkt,  kan het zijn dat je salaris achter blijft lopen door je deeltijd-carrière.

[1] Soms is het natuurlijk juist andersom of zijn het twee mannen/twee vrouwen. Voor de leesbaarheid bespreek ik maar één verdeling, nl die het meeste voorkomt.

[2] Grappig genoeg zie je tegenwoordig vaak “kostwinnaar” – alsof het een prijs in een loterij is.


Moeder de vrouw en betaald werk

Moeder de vrouw is het thema van de boekenweek, een controversieel thema. Veel wordt geschreven over de combinatie van moeder de vrouw en betaald werk. Want laten we duidelijk zijn: alle moeders zijn werkende vrouwen, echter niet allen worden voor een deel van hun werk betaald. Alleen degenen die een baan buitenshuis hebben, kunnen daarmee ook rechtstreeks geld verdienen. Alle anderen (de thuismoeders) verdienen  indirect geld, doordat hun partner door hen tijd heeft om een volle werkweek betaald te werken. In een serie blogs ga ik in op de betaald werkende moeder de vrouw, gebaseerd op mijn eigen ervaring en op wat ik nu zie bij jonge vrouwen.

Veel vrouwen verwachten ook bij het tweede kind nog net zo goed en zo veel te kunnen werken als toen ze één kind hadden of zelfs helemaal geen kinderen. En dat niet alleen, ze willen ook het moederschap op de best mogelijke manier vormgeven. Vonden vrouwen het aan het begin van de vorige eeuw voldoende als hun kinderen schoon, gevoed en gekleed de straat op gingen, nu stellen werkende moeders zichzelf ook nog de eis om het moederschap veel meer inhoud te geven. De traktatie op school van het jarige kind wordt zelf gemaakt, de avondvierdaagse meegelopen, kinderpartijtjes zijn ware huzarenstukjes. Daarbij willen ze een goed ogende, meelevende partner zijn. Bovendien stellen ze zichzelf de eis dat ze daarbij een relaxte indruk maken, niet die van een afgejakkerde duizendpoot. Ik houd de beschrijving kort, je kent vast wel iemand die deze bovenmenselijke idealen hoog houdt (en ik heb het zelf ook geprobeerd).

Want bovenmenselijk is dit streven. Vaak wordt het perfectionisme genoemd, maar mijns inziens is het meer dan dat: het is een almachtswens. Deze betaald-werkende moeders stellen zich bovenmenselijke macht over hun leven voor.  Zij willen (en proberen) met bovenmenselijke krachten alles onder controle te houden en aan alle idealen (kostverdiener, moeder, partner) tegelijk te voldoen. Het is een vorm van magisch denken. Als je maar alles op alles zet, elke dag weer, dan lukt dit. Bij kinderen kun je dit magisch denken ook zien: moeder kan alles, weet alles en niets is haar teveel.

Misschien denk je dat ik overdrijf. Je doet immers concessies: je partner en jij hebben bijvoorbeeld samen 1,5 betaalde baan. Dan nog betekent het dat jullie met zijn tweeën 2,5 baan uitvoeren: een gezin met twee kinderen en het huishouden is een dagtaak en dan nog wel een inefficiënte dagtaak. Je wordt gestuurd door het levensritme van je kinderen, of dat nu volle luiers en voedingen of schooltijden zijn en het huishouden moet er tussendoor. Als je een kind naar de dagopvang brengt, is een deel van het werk opgevangen, maar het huishouden en alle overige zaken niet.

Een tijd lang is deze almachtswens een krachtige motivator.  Veel jonge moeders houden het een heel aantal jaren vol.  Het is echter roofbouw op jezelf en niet zelden leidt het uiteindelijk tot een breuk in het patroon. Dat kan zijn dat de relatie geen stand houdt, het kan ook een burn-out zijn. Beide geven een enorm gevoel van onmacht, een kaartenhuis dat instort. Alleen een periode van erkennen van de onmacht en herbezinning op de menselijke maat is de start van de genezing.

Is dit een pleidooi om betaald werk op te geven? Geenszins. Het is wel een pleidooi om eerlijk te rekenen: hoeveel werk/tijd/energie is nu eigenlijk echt nodig? Wat kun je opbrengen? Hoeveel steuntroepen/geld heb je? In “Spitsuur van het leven” doe ik daartoe een voorstel.


Een goede buur is beter dan een verre vriend

In mijn tienerjaren beschouwde ik buren vooral als sociale controle. In de provinciestad waar ik woonde, wist iedereen in de buurt erg veel van elkaar en men vond er ook van alles van. Gelukkig was er geen universiteit in deze stad, dus ik vertrok opgewekt naar Amsterdam, waar ik genoot van de anonimiteit. Wie mijn buren waren, wist ik niet of nauwelijks en dat was precies wat ik wilde.

Heerlijk om mijn vrienden te kunnen kiezen. Waar ze woonden, om de hoek of aan de andere kant van de stad, was onbelangrijk. Als ze verhuisden, dan zochten we elkaar op. Met de komst van internet werden de mogelijkheden voor contact op afstand groter. Met Skype of FaceTime kun je gesprekken voeren alsof je bij elkaar thuis bent. Ook de gezinsleden verspreidden zich over heel Nederland. De band bleef even goed.

Maar nu denk ik daar anders over.  De verzorgingsstaat is drastisch verminderd. Er wordt geëist dat de omgeving voor je zorgt tot het einde. Allereerst wordt gekeken naar familie, ongeacht waar ze wonen. Ik merk dat bij de zorg rondom mijn oude moeder. Wij kinderen reizen van alle kanten uit Nederland naar haar toe. Inmiddels is ze zo geestelijk en lichamelijk achteruit gegaan dat ze recht heeft op een van de schaarse plekken van verzorgd wonen. Maar waar niet is, verliest de keizer zijn recht. Verder dan een wachtlijst is ze nog niet gekomen. Lichamelijke zorg is wel verzekerd via de WLZ, maar alle overige hand- en spandiensten (opruimen, boodschappen, even ergens naartoe gaan) niet.

Buren zouden veel makkelijker de dagelijkse hand- en spandiensten kunnen verrichten. Dan kunnen familieleden en vrienden op bezoek komen, gewoon voor de gezelligheid maar natuurlijk ook om mee te helpen, bijvoorbeeld met administratie of het regelen van de formele zorg (hetgeen een tijdrovende taak is – weet ik nu). Maar ja, dan moet je je buren niet alleen van gezicht kennen, maar ook een zodanige band hebben opgebouwd dat je bereid bent met zijn allen naar elkaar om te zien. Dus dat komt eerst: een band opbouwen met buren van allerlei leeftijden.

Met dit beeld voor ogen worden in Amsterdam stadsdorpen gecreëerd. Dorpen in de stad. Op www.stadsdorpenamsterdam.nl kun je ze allemaal vinden. De stadsdorpen verschillen naar de aard van de buurt, maar overal vinden de deelnemers dat hun buurt gezelliger is geworden en dat ze daardoor gemakkelijker elkaar een handje zullen toesteken als dat nodig is.

De uitdaging is om een dorp te creëren met modern nabuurschap, maar te veel sociale controle te vermijden.


(On-) voltooid leven

Dichtbij mij, mijn dierbare naaste, is een oude vrouw. Tot haar 90e jaar had ze voldoende plezier in haar leven, ook al waren haar man en vele vrienden haar ontvallen. Ze maakte er wat van en gebruikte haar vrijheid, onder andere door overal naartoe te rijden in haar auto.  Toen overkwam haar een ernstige, zeer pijnlijke ziekte, die echter wel te genezen was. Nu is ze een fragiel vrouwtje achter een rollator, de auto is haar “afgepakt”, ze is erg vergeetachtig maar niet dement, hardhorend. Veel bewegingen doen haar pijn. Geen van haar kwalen is levensbedreigend. Ze woont – overeenkomstig  het huidige beleid – thuis met thuiszorg; kinderen en kennissen kijken naar haar om. Pijnstilling lukt niet helemaal. Ze vindt er niets meer aan, ze wil (ook wel eens) dood, maar dat mag  onder de huidige wet niet en dus gaat ze door.

De politiek is zeer geïnteresseerd in kwetsbare ouderen.  Er wordt veel geld besteed aan beleid, commissies en  onderzoeken. Gemeenten doen huisbezoeken om eenzamen te vinden. Veel ziekenhuizen openen op de Eerste Hulp  een specifieke afdeling voor ouderen. Het Openbaar Ministerie onderzoekt euthanasie gevallen. Alles om dit ‘probleem’ verantwoord op te lossen, maar wel zo goedkoop mogelijk.

Het ene kamp vindt dat mevrouw haar zin mag hebben. Ze noemen het voltooid leven. Ouderen in dit kamp voeren actie voor het recht om je leven te laten beeïndigen en sommige partijen (D66) willen zich inzetten voor een wetsvoorstel “voltooid leven” waarbij iedereen boven de 75 zelf mag beslissen. Mijn dierbare naaste verwoordt het zelf zo: “Ik ben over de 90, ik wil niet meer, er is overbevolking, waarom mag dit niet?”  De ‘oplossing’ wordt hier gezocht in het hiernamaals, of je nu gelooft dat daar niets of iets is.

Direct doemen er ethische vragen op: wanneer mag dit, hoe oud is oud genoeg, wanneer is voltooid echt voltooid?  Mag iemand toch nog af en toe genieten of helemaal nooit? Van wie mag je vragen om iemand op verzoek te doden? Of moet zelfbeschikking samengaan met zelf doen?

Het andere kamp vindt dat God of menselijkheid gebiedt om een leven nooit voltooid te achten: de ‘oplossing’ zit in betere omstandigheden.  Als het leven maar prettig genoeg wordt gemaakt, dan krijgt mevrouw er wel weer zin in. Dus vrijwilligers worden geworven, die allemaal af ten toe langs gaan, eenzaamheidsprogramma’s en zorgteams worden ingezet. De mantelzorgers/familieleden gaan meer doen. Maar de levenslust keert er niet van terug, hoeveel je iemand ook omringt – en dat terwijl mevrouw toch niet depressief is. De ‘oplossing’ wordt gezocht in omringen van de kwetsbare oudere, waardoor deze letterlijk in het leven blijft.

Direct doemen andere ethische vragen op: hoeveel mag je vragen van mantelzorgers? Hoeveel mag dit kosten? Welke veiligheidsrisico’s loopt mevrouw zo in haar eentje toch nog vele uren per dag? Wie mag beslissen over iemands leven, zijzelf of anderen over haar zonder haar?

Vroeger, voordat we de euthanasiewet hadden, in een tijd dat er medisch veel minder herstel mogelijk was, vond er rond de eindfase allerlei plaats, dat nu voor de rechter zou komen.  Als mevrouw vergat te eten en drinken, dan liet je dat zo; als ze een longontsteking opliep, dan liet je dat zo,  ook zonder niet-behandelen-verklaring of overleg met de familie. Vervolgens zorgde men dat iemand pijnloos bleef en vredig weggleed (palliatie). Nu zouden de kranten bol staan van “verwaarlozing van ouderen” en zorgverleners zouden terecht moeten staan.

Waar leidt mijn verhaal toe? Niet tot een oplossing, want het vraagstuk van (on-)voltooid leven is niet een  ‘probleem’ dat kan worden ‘opgelost’. De ene oplossing (euthanasie) noch de andere oplossing (omringen) doet recht aan de diepere oorzaak van de situatie van mevrouw: dat je nauwelijks meer vanzelf dood gaat en maar door moet modderen met je gebreken. We weten niet hoe om te gaan met gebrekkig oud zijn. Laten we dat erkennen en stil staan bij dit niet-weten.


Vraagverlegenheid

In een eerdere blog[1] kwam ter sprake dat het niet alleen zaliger maar ook makkelijker is hulp te geven dan te erom te vragen. Toch is vragen niet altijd moeilijk. Hoe zit dat precies? Wanneer is vragen moeilijk en wanneer kun je tamelijk makkelijk hulp vragen? In onze groep van Grand Dessert[2], waarover ik eerder schreef, zijn we bij onszelf te rade gegaan om hierin meer inzicht te krijgen. Ieder van ons noemde voorbeelden van situaties of vragen die we lastig vonden. Door de situaties uit te spelen, leerden we wat de “plek der moeite” bij ieder van ons is. Onze inzichten beschrijf ik in deze blog.

“Ik ben geen klusser in huis, dus dat vraag ik aan een goede vriend, die dat wel kan.” Als volwassene is je zelfbeeld wel duidelijk voor je. Je kunt niet alles en daar heb je geen moeite meer mee. Het ontbrekende vragen is dan niet zo moeilijk. Bovendien zit in deze zin verpakt dat je makkelijk vraagt aan “een goede vriend”, aannemende dat hij andersom ook aan jou zal vragen wat jij goed kunt en hij niet. De relatie is in evenwicht, wederkerig.

Het tegenovergestelde blijkt precies de plek der moeite te zijn: vragen wat je volgens je zelfbeeld zelf zou moeten kunnen, vinden we moeilijk. Je kent jezelf als iemand die haar eigen boontjes dopt. Je doet je eigen huishouden, al dan niet met een partner. Als je tijdelijk ziek bent, dan lukt vragen nog wel. Je hoeft je zelfbeeld immers niet aan te passen. Je kunt tijdelijk je huishouden niet doen, maar straks weer wel. Vraagverlegenheid treedt vooral op als je je zelfbeeld moet aanpassen: voortaan ben ik iemand, die niet … (bijv. op een trapje ramen zemen) in haar eigen huishouden kan doen. Vaak zie je dat mensen een omweg zoeken om niet te hoeven vragen: liever vuile ramen dan je buurvrouw vragen deze te lappen.

Als je de tijd hebt, dan lukt het wel om je zelfbeeld aan te passen. Er gaat een – kleiner of groter – rouwproces mee gepaard: ik kan niet meer… en dus moet ik dat vragen. Het lastige van ouder of chronisch ziek worden is, dat je nauwelijks de tijd krijgt voor het rouwproces en de aanpassing van je zelfbeeld: al gauw is er nog iets dat je voortaan niet meer kunt, en nog iets, en nog iets, en de acceptatie ervan kun je niet bijbenen. Je bent dus genoodzaakt vaker die heel moeilijke vraag te stellen: “Kun jij dit voortaan voor mij doen, want ik kan dat – waarschijnlijk – nooit meer.”

Daarmee verandert de relatie met degene aan wie je de vraag stelt. Daar waar je eerst wederkerigheid veronderstelde, wordt die minder vanzelfsprekend. Degene aan wie je dat vraagt, bijvoorbeeld de goede vriend, kan daar ook moeite mee hebben: “Dat kun je toch wel zelf?” Soms veranderen de rollen zelfs helemaal: de moeder wordt afhankelijk van een dochter. Ook bij degene aan wie de vraag gesteld wordt, vindt een (kleiner of groter) rouwproces plaats: je grote sterke, zelfstandige partner/vriendin/moeder is er niet meer.

Dan vragen we liever een professional. Daar is wederkerigheid niet nodig, want de professional wordt beloond met een salaris. Veel liever dan je dochter of je buurvrouw, vraag je een instantie, je verzekering of de overheid om hulp. Dat zouden we wel willen, maar die vlieger gaat niet op: de WMO[3] eist van je dat je eerst je naasten om hulp vraagt voordat je betaalde zorg krijgt.

Dit zijn de inzichten die wij samen opdeden. Zijn ze herkenbaar? Helpt uitgestelde wederkerigheid om die moeilijke vragen toch te stellen? En wat speelt nog meer naar jouw idee bij vraagverlegenheid?

[1] Uitgestelde wederkerigheid, september 2015

[2] De kunst van het ouder worden, april 2016

[3] Wet Maatschappelijke Ondersteuning


Idealen en illusies

Wij, van de tweede feministische golf, wij wilden een flinke stap voorwaarts maken in de ontwikkeling van de maatschappij. Een maatschappij waarin vrouwen en mannen gelijkwaardig zouden zijn. En dat probeerden we vooral ook voor te leven. In de omgang met onze collega’s en in de opvoeding van onze kinderen. Grote idealen, die deels bereikt zijn maar deels ook illusies zijn gebleken.

Mijn beroep, organisatie-adviseur, was eind jaren ‘70 een mannenberoep. Ik had er onderzoek naar gedaan, als afronding van mijn studie: 99% mannen, 1 % vrouwen. Daarmee waren wij vrouwen tokens, eenlingen en uitzondering in onze werkomgeving, met alle voor- en nadelen van dien, die ik twee vorige blogs heb beschreven. [i]

Thuis probeerde ik twee kleine jongens  met minder vooroordelen over mannen en vrouwen groot te brengen. Bij het voorlezen van verhaaltjes van Jip en Janneke, zette ik een kruisje bij alle hoofdstukken waar ik Jip en Janneke verwisselde, want Janneke was altijd bang en bezorgd en Jip altijd moedig en roekeloos. En uiteraard leefden wij voor dat Pappa en Mamma allebei werkten en allebei om en om thuis waren. Naar rato van ons inkomen deelden we onze financiën.

Op de speelzaal waar de oudste naartoe ging, hield de leidster kringgesprekken met de peuters. Op een dag vroeg ze of de kinderen wisten waar de Pappa’s en Mamma’s waren. Ja, dat wisten de kinderen. Die waren naar hun werk. Soms wisten ze zelfs wat voor soort werk dat was. Waarom waren de Pappa’s naar hun werk? Alle kinderen wisten het: “Om geld te verdienen.” En waarom waren de Mamma’s naar hun werk? Grote aarzeling, geen antwoord. Tja, waarom? Eén kind opperde: “Misschien omdat ze het leuk vindt?”

De conclusie was helaas duidelijk: Pappa’s verdienen geld en Mamma’s zijn zich aan het ontplooien. Op voor mij raadselachtige wijze hadden we dat duidelijk gemaakt aan onze peuters. Ik moest er wel om lachen, maar vond het ook om te huilen.

Het bleek dus een illusie, dat je in één generatie een grote verandering kunt bewerkstelligen. Wel kun je streven naar een nieuwe ontwikkeling. Nadat ik dit had geaccepteerd, bleek het ook veel positiefs te brengen: ik was meer ontspannen en realistischer in de opvoeding van mijn kinderen.

Geldt ditzelfde niet ook voor integratie? In één generatie lukt het niet, maar je moet wel in elke generatie blijven streven om vorderingen te maken.

 

 [i]  “Jij bent een uitzondering” en “Gefeliciteerd, jij bent een uitzondering

 

 

 

 

 


Leermeester

Het is een voorrecht als je aan het begin van je loopbaan een leermeester vindt, bij wie je als gezel bij een meester kunt leren. Ik wilde lid worden van het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen) en daarvoor moest ik een jaar supervisie krijgen. Zo werd Max Rubinstein mijn leermeester. Hij was een prominent organisatie-adviseur in de school van organisatie-ontwikkeling. Vijftien jaar later werd ik zijn collega. In deze blog vertel ik over één van de vele dingen die ik van hem leerde: het afronden van een opdracht.

Het afronden van een opdracht is een interventie. In veel adviesopdrachten krijgt de afronding niet veel aandacht. Even goedendag zeggen en op naar de volgende opdracht. Max leerde me om goed na te denken om zó afscheid te nemen, dat ofwel de beoogde verandering een duwtje in de goede richting krijgt, ofwel bezinning optreedt of men wel op de goede weg is.

Pontificaal afscheid als start van iets nieuws. Een kleine landelijke stichting op het vlak van jeugdzorg moest ten gevolge van nieuw kabinetsbeleid decentraliseren. Dat wil zeggen dat de medewerkers onderdak moesten krijgen bij diverse provinciale organisaties op het gebied van jeugdzorg en dat aan het eind van het jaar de landelijke stichting werd opgeheven. De opheffing – tevens het eind van onze opdracht –  werd op advies van Max met een feest gevierd. En tot mijn verrassing bood Max aan dat wij als adviseurs een sketch zouden opvoeren over het hele proces. We zouden dat nu terugspeeltheater noemen. Door het feest werd het makkelijker voor de medewerkers om afscheid van elkaar te nemen en over te stappen naar hun nieuwe, provinciale werkgever.

Teruggeven van de opdracht. Als je de indruk hebt, dat een opdracht niet verloopt zoals is afgesproken en als de klant ook niet in staat of bereid is dit bij te stellen, dan geef je de opdracht terug. En ook dat is een interventie. Altijd leidt het tot bezinning: soms ziet men in, dat men beter ten halve kan keren dan ten hele dwalen (en dan eindigt het project), maar soms komt men tot het besluit dat de opdracht moet worden bijgesteld, waardoor je je beiden erin kunt vinden.

Timing van het moment van afscheid. Vooral bij langdurige opdrachten waarin een ontwikkeling in gang moet worden gezet, is het onduidelijk wanneer precies de opdracht is afgelopen. Blijf dan vooral niet langer dan nodig is, bijvoorbeeld omdat je het zelf nog zo leuk vindt of omwille van de omzet. Ik heb geleerd om mijn vertrek aan de orde te stellen zodra ik voldoende signalen zie dat de ontwikkeling ook zonder mij wel zal doorgaan.

Geen wonder dat ik ook mijn eigen afscheid van betaald werk zorgvuldig heb vorm gegeven. Ik maak met allerlei mensen met wie ik heb gewerkt een afspraak. Een keer ook met een aantal mensen tezamen, met wie ik in verschillende perioden heb samengewerkt. Het zijn allemaal boeiende en persoonlijke gesprekken. Dit keer is de afronding niet alleen een interventie om zorgvuldig de relaties van mijn werk af te hechten, maar ook om het mijzelf makkelijker te maken naar de volgende fase van mijn leven over te stappen.

Ik wens alle jonge mensen die nu aan het begin van hun loopbaan staan, een leermeester toe zoals ik heb gehad. En ik wens alle senioren toe dat ze leermeester kunnen zijn.


C.V.

Een curriculum vitae beschrijft je levensloop. Bij het afsluiten van de periode van betaald werk hoort terugkijken naar de loop van mijn werkzaam leven. Wat valt me op, wat van die levensloop is tegelijk een tijdsbeeld, of een voorbeeld van meer algemene mechanismen? Hoe hangt het kleine verhaal van mij samen met grotere verhalen in de maatschappij? In deze blog begin ik bij het begin: de ambitie om betaald te werken.

Mijn grootmoeder van moederskant was in 1900 klaar met de lagere school. Ze groeide op in een gezin van drie jongens en drie meisjes. De jongens moesten doorleren en de meisjes moesten thuis komen om te helpen in het huishouden. Dat was in die tijd gebruikelijk, een meisje ging immers trouwen.  Dat vond mijn grootmoeder heel erg, ze had heel graag willen doorleren. Dat heeft haar ene dochter vaak moeten horen (haar kleinkinderen ook). Het was dan ook vanzelfsprekend dat haar dochter na de lagere school naar de middelbare school zou gaan.

Mijn moeder deed eindexamen gymnasium ß in de oorlog. Na de oorlog mocht ze gaan studeren. Maar wat? Vele malen heeft ze me verteld dat eigenlijk weg- en waterbouwkunde bij haar zou hebben gepast, maar dat werd niet geschikt geacht voor een meisje. Als meisje ging je immers trouwen. Studeren was een tijdelijke bezigheid tot het huwelijk. Afstuderen en daarna werken deed maar een enkeling. Bovendien werden vrouwen in veel functies (overheid, onderwijs) ontslagen op de dag na hun trouwen. Zo studeerde mijn moeder een jaartje Frans. Wat hebben wij, haar dochters, dat vaak moeten horen: dat gaat jullie niet gebeuren, je gaat werken (en natuurlijk een man en kinderen). Een beroep moet je hebben.

Zo ging ik studeren en ik wist wat ik wilde: een beroep waarmee ik mijn eigen geld kon verdienen èn dat ik interessant vond. En zo mogelijk ook man en kinderen. Zo deed ik wat van me verwacht werd, net als mijn moeder en grootmoeder in hun tijd. Ik was in mijn tijd niet de enige: de tweede feministische golf van de jaren ‘70 begon tegelijk met mijn studie. Wij waren de eerste grote groep hoog opgeleide vrouwen, die aan de weg wilde timmeren, dát was ons vaste voornemen.

Toen ik 28 was had ik bereikt wat mijn moeder had willen bereiken. Een man, een part-time baan en  twee kinderen. Nog beter: een man die ook werkte èn voor de kinderen zorgde. En op dat moment was mijn ambitie vervuld. Ik heb een herinnering van mijzelf aan de keukentafel: wat wil ik nou zelf?  Ik had geen idee.

Alle kinderen worden groot gebracht met ambities en verwachtingen van hun ouders. Of die nu hoog of laag zijn. Of je nu mee kreeg  “je moet worden wat je vader ook was” of “jij moet niet mijn fouten maken”: je wordt op pad gestuurd met wat de Transactionele analyse[i] een levensscript noemt: een voorgeschreven levens-loop. Mijn script ging niet verder dan mijn 28e, zoals het script voor mijn moeder niet verder ging dan het eindexamen. We kunnen de geschiedenis alleen stap voor stap veranderen.

Gelukkig heb ik gevonden wat ik wilde. Ik heb 40 jaren betaald werken vol gemaakt. Meer daarover in een volgende blog.

[i] Koopmans, L. (2012) , Dit ben ik! Worden wie je bent met Transactionele Analyse.


Rite de passage

Elk jaar eind mei hangen overal in Nederland de boekentassen bij de vlaggen; niet alleen een aankondiging van een geslaagd eindexamen, maar symbolisch ook de overgang van schoolkind naar student of werkende.

Elke grote of kleine groep kent zijn eigen rituelen. In een gezin bestaan vaak rituelen rond de verjaardag van een kind: slingers, taart en een partijtje. In de hele wereld hebben we rituelen rond Oud en Nieuw. Veel rituelen hebben de functie van het markeren van de overgang van de ene (oude) situatie naar een andere (nieuwe), de z.g. “rite de passage”.

Een ritueel geeft houvast. Je weet waar je bent in je ontwikkeling en je kunt je makkelijker houden aan de beloften die je daarbij doet. Soms doe je zo’n belofte hardop, ten overstaan van getuigen, zoals een huwelijksbelofte. Soms is zo’n belofte heel impliciet, zoals bij de boekentas. Je belooft als jongere (zonder woorden) dat je veel zelfstandiger zult zijn, je eigen boontjes zult doppen. En als ouders beloof je dat je je kind meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid zult laten.

Rituelen helpen je door moeilijke emoties heen. Overal ter wereld hebben mensen hun eigen rituelen rondom de dood. De enorme emoties die daarmee gepaard gaan, worden door rituelen een beetje in banen geleid. Er is plek om de emoties te uiten, maar wel op een bepaalde manier. In de ene cultuur komen klaagvrouwen hardop huilen, in de andere cultuur wordt door sprekers het leven van de overledene in herinnering gebracht. Onder Nederlanders zijn die rituelen kleiner geworden: ze zijn nu beperkt tot een begrafenis- of herdenkingsbijeenkomst. Vroeger kon je aan de kleding van de naasten zien dat ze nog in de zware rouw en daarna nog een (paar) jaar in de lichte rouw waren. Dan kon je daarmee rekening houden. Hoe lastig het nu is zonder die rituelen, kun je merken aan de veel vóorkomende onhandigheid van omstanders in de omgang met rouwenden.

Rituelen veranderen als de maatschappij verandert. Tot voor kort brachten de meeste mensen hun hele carrière in loondienst door, soms wel 40 jaar bij dezelfde werkgever. Pensioen en AOW kwamen steevast in de maand dat je 65 werd. Het ritueel was een receptie met een cadeau en een toespraak van de baas. Tegenwoordig zijn de verbindingen veel korter en vaak ook free-lance. Bovendien is de pensioenleeftijd niet meer vast bij 65 jaar. Wanneer en hoe ga je als free-lancer dan met pensioen? Of ga je maar door totdat je geen opdrachten meer krijgt?

De kracht van een ritueel ligt in de voorspelbaarheid van de vorm en het gebruik van symbolen. Als je dat weet, kun je binnen je eigen groep zelf nieuwe rituelen maken. Als je gebruik maakt van symbolen die al bestaan en je maakt de vorm voorspelbaar door die aan te kondigen, dan kun je je eigen ritueel maken.

Precies dat ben ik  dan ook van plan. Per 1 december 2016 stuur ik mezelf met pensioen en ik verheug me nu al op het ritueel dat ik ervoor heb bedacht.