Tag Archives: leren

Leren tegen wil en dank

Eind augustus, begin september denk je bij deze titel misschien meteen aan de leerplicht, die voor alle kinderen in Nederland weer begint. Ik wil echter dit keer een andere vorm van leren aan de orde stellen, een wat zwaar onderwerp voor een blog. Iedereen krijgt wel een keer met grote tegenslag in het leven te maken. Je bent ontslagen, je bent uitgeloot voor je studie waar je je toekomst zag, een echtscheiding, er overlijdt iemand die je dierbaar is. “Het is net of ik in de verkeerde film zit” zeg je dan. 

Vroeger werd gesproken van een rouwproces, vooral in navolging van Kübler-Ross, inhoudende dat iedereen eenzelfde aantal fasen zou doormaken. Later is men gaat spreken van rouwtaken, die je actief moet volbrengen om verder te kunnen leven. Beide gaan ervan uit dat erkenning en verwerking nodig is om daarna je leven weer op te pakken. Maar die tijd krijg je niet, je “gewone” leven gaat immers meteen al door terwijl je ook tijd nodig hebt voor dat rouwproces.

Mijn ervaring is dat je in het diepe plonst zonder dat je weet hoe je moet zwemmen. Vanaf het eerste moment moet je je hoofd boven water te houden en al doende leren zwemmen. In een groep mensen, waarvan ik deel uitmaakte, vertelde iemand dat haar pasgeboren baby gehandicapt was en ze zei: “Ik weet niet of ik hiermee kan leven.” Waarop het antwoord kwam: ”Dat doe je al.” En zo is het. Je bent als het ware ineens op twee sporen tegelijk aan het leven: het spoor dat stilstaat, waar je verwerking – de rouw – plaats vindt èn het spoor van doorgaan met je leven.

Dat doorgaan met leven is ontdekkend leren tegen wil en dank. Ontdekkend leren is één van de vijf leervoorkeuren die ik in een eerdere blog heb besproken. Je leert om door te gaan met je leven met deze tegenslag, ramp of dergelijke, parallel en gelijktijdig met de verwerking. Natuurlijk kun je ook andere manieren van leren erbij halen (als ontdekkend leren jouw voorkeur niet is): veel informatie verzamelen (= kennis verwerven), er met lotgenoten erover praten (= participatie) maar vooraf oefenen of eerst de kunst afkijken is er niet bij.

Ik hoop dat deze blog je helpt om die verkeerde film waarin je terecht gekomen bent, beter te hanteren.  En misschien geeft deze blog omstanders het inzicht dat ze juist bij het doorgaan met het leven hulp en steun kunnen bieden.

 

 


Idealen en illusies

Wij, van de tweede feministische golf, wij wilden een flinke stap voorwaarts maken in de ontwikkeling van de maatschappij. Een maatschappij waarin vrouwen en mannen gelijkwaardig zouden zijn. En dat probeerden we vooral ook voor te leven. In de omgang met onze collega’s en in de opvoeding van onze kinderen. Grote idealen, die deels bereikt zijn maar deels ook illusies zijn gebleken.

Mijn beroep, organisatie-adviseur, was eind jaren ‘70 een mannenberoep. Ik had er onderzoek naar gedaan, als afronding van mijn studie: 99% mannen, 1 % vrouwen. Daarmee waren wij vrouwen tokens, eenlingen en uitzondering in onze werkomgeving, met alle voor- en nadelen van dien, die ik twee vorige blogs heb beschreven. [i]

Thuis probeerde ik twee kleine jongens  met minder vooroordelen over mannen en vrouwen groot te brengen. Bij het voorlezen van verhaaltjes van Jip en Janneke, zette ik een kruisje bij alle hoofdstukken waar ik Jip en Janneke verwisselde, want Janneke was altijd bang en bezorgd en Jip altijd moedig en roekeloos. En uiteraard leefden wij voor dat Pappa en Mamma allebei werkten en allebei om en om thuis waren. Naar rato van ons inkomen deelden we onze financiën.

Op de speelzaal waar de oudste naartoe ging, hield de leidster kringgesprekken met de peuters. Op een dag vroeg ze of de kinderen wisten waar de Pappa’s en Mamma’s waren. Ja, dat wisten de kinderen. Die waren naar hun werk. Soms wisten ze zelfs wat voor soort werk dat was. Waarom waren de Pappa’s naar hun werk? Alle kinderen wisten het: “Om geld te verdienen.” En waarom waren de Mamma’s naar hun werk? Grote aarzeling, geen antwoord. Tja, waarom? Eén kind opperde: “Misschien omdat ze het leuk vindt?”

De conclusie was helaas duidelijk: Pappa’s verdienen geld en Mamma’s zijn zich aan het ontplooien. Op voor mij raadselachtige wijze hadden we dat duidelijk gemaakt aan onze peuters. Ik moest er wel om lachen, maar vond het ook om te huilen.

Het bleek dus een illusie, dat je in één generatie een grote verandering kunt bewerkstelligen. Wel kun je streven naar een nieuwe ontwikkeling. Nadat ik dit had geaccepteerd, bleek het ook veel positiefs te brengen: ik was meer ontspannen en realistischer in de opvoeding van mijn kinderen.

Geldt ditzelfde niet ook voor integratie? In één generatie lukt het niet, maar je moet wel in elke generatie blijven streven om vorderingen te maken.

 

 [i]  “Jij bent een uitzondering” en “Gefeliciteerd, jij bent een uitzondering

 

 

 

 

 


Leermeester

Het is een voorrecht als je aan het begin van je loopbaan een leermeester vindt, bij wie je als gezel bij een meester kunt leren. Ik wilde lid worden van het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen) en daarvoor moest ik een jaar supervisie krijgen. Zo werd Max Rubinstein mijn leermeester. Hij was een prominent organisatie-adviseur in de school van organisatie-ontwikkeling. Vijftien jaar later werd ik zijn collega. In deze blog vertel ik over één van de vele dingen die ik van hem leerde: het afronden van een opdracht.

Het afronden van een opdracht is een interventie. In veel adviesopdrachten krijgt de afronding niet veel aandacht. Even goedendag zeggen en op naar de volgende opdracht. Max leerde me om goed na te denken om zó afscheid te nemen, dat ofwel de beoogde verandering een duwtje in de goede richting krijgt, ofwel bezinning optreedt of men wel op de goede weg is.

Pontificaal afscheid als start van iets nieuws. Een kleine landelijke stichting op het vlak van jeugdzorg moest ten gevolge van nieuw kabinetsbeleid decentraliseren. Dat wil zeggen dat de medewerkers onderdak moesten krijgen bij diverse provinciale organisaties op het gebied van jeugdzorg en dat aan het eind van het jaar de landelijke stichting werd opgeheven. De opheffing – tevens het eind van onze opdracht –  werd op advies van Max met een feest gevierd. En tot mijn verrassing bood Max aan dat wij als adviseurs een sketch zouden opvoeren over het hele proces. We zouden dat nu terugspeeltheater noemen. Door het feest werd het makkelijker voor de medewerkers om afscheid van elkaar te nemen en over te stappen naar hun nieuwe, provinciale werkgever.

Teruggeven van de opdracht. Als je de indruk hebt, dat een opdracht niet verloopt zoals is afgesproken en als de klant ook niet in staat of bereid is dit bij te stellen, dan geef je de opdracht terug. En ook dat is een interventie. Altijd leidt het tot bezinning: soms ziet men in, dat men beter ten halve kan keren dan ten hele dwalen (en dan eindigt het project), maar soms komt men tot het besluit dat de opdracht moet worden bijgesteld, waardoor je je beiden erin kunt vinden.

Timing van het moment van afscheid. Vooral bij langdurige opdrachten waarin een ontwikkeling in gang moet worden gezet, is het onduidelijk wanneer precies de opdracht is afgelopen. Blijf dan vooral niet langer dan nodig is, bijvoorbeeld omdat je het zelf nog zo leuk vindt of omwille van de omzet. Ik heb geleerd om mijn vertrek aan de orde te stellen zodra ik voldoende signalen zie dat de ontwikkeling ook zonder mij wel zal doorgaan.

Geen wonder dat ik ook mijn eigen afscheid van betaald werk zorgvuldig heb vorm gegeven. Ik maak met allerlei mensen met wie ik heb gewerkt een afspraak. Een keer ook met een aantal mensen tezamen, met wie ik in verschillende perioden heb samengewerkt. Het zijn allemaal boeiende en persoonlijke gesprekken. Dit keer is de afronding niet alleen een interventie om zorgvuldig de relaties van mijn werk af te hechten, maar ook om het mijzelf makkelijker te maken naar de volgende fase van mijn leven over te stappen.

Ik wens alle jonge mensen die nu aan het begin van hun loopbaan staan, een leermeester toe zoals ik heb gehad. En ik wens alle senioren toe dat ze leermeester kunnen zijn.


C.V.

Een curriculum vitae beschrijft je levensloop. Bij het afsluiten van de periode van betaald werk hoort terugkijken naar de loop van mijn werkzaam leven. Wat valt me op, wat van die levensloop is tegelijk een tijdsbeeld, of een voorbeeld van meer algemene mechanismen? Hoe hangt het kleine verhaal van mij samen met grotere verhalen in de maatschappij? In deze blog begin ik bij het begin: de ambitie om betaald te werken.

Mijn grootmoeder van moederskant was in 1900 klaar met de lagere school. Ze groeide op in een gezin van drie jongens en drie meisjes. De jongens moesten doorleren en de meisjes moesten thuis komen om te helpen in het huishouden. Dat was in die tijd gebruikelijk, een meisje ging immers trouwen.  Dat vond mijn grootmoeder heel erg, ze had heel graag willen doorleren. Dat heeft haar ene dochter vaak moeten horen (haar kleinkinderen ook). Het was dan ook vanzelfsprekend dat haar dochter na de lagere school naar de middelbare school zou gaan.

Mijn moeder deed eindexamen gymnasium ß in de oorlog. Na de oorlog mocht ze gaan studeren. Maar wat? Vele malen heeft ze me verteld dat eigenlijk weg- en waterbouwkunde bij haar zou hebben gepast, maar dat werd niet geschikt geacht voor een meisje. Als meisje ging je immers trouwen. Studeren was een tijdelijke bezigheid tot het huwelijk. Afstuderen en daarna werken deed maar een enkeling. Bovendien werden vrouwen in veel functies (overheid, onderwijs) ontslagen op de dag na hun trouwen. Zo studeerde mijn moeder een jaartje Frans. Wat hebben wij, haar dochters, dat vaak moeten horen: dat gaat jullie niet gebeuren, je gaat werken (en natuurlijk een man en kinderen). Een beroep moet je hebben.

Zo ging ik studeren en ik wist wat ik wilde: een beroep waarmee ik mijn eigen geld kon verdienen èn dat ik interessant vond. En zo mogelijk ook man en kinderen. Zo deed ik wat van me verwacht werd, net als mijn moeder en grootmoeder in hun tijd. Ik was in mijn tijd niet de enige: de tweede feministische golf van de jaren ‘70 begon tegelijk met mijn studie. Wij waren de eerste grote groep hoog opgeleide vrouwen, die aan de weg wilde timmeren, dát was ons vaste voornemen.

Toen ik 28 was had ik bereikt wat mijn moeder had willen bereiken. Een man, een part-time baan en  twee kinderen. Nog beter: een man die ook werkte èn voor de kinderen zorgde. En op dat moment was mijn ambitie vervuld. Ik heb een herinnering van mijzelf aan de keukentafel: wat wil ik nou zelf?  Ik had geen idee.

Alle kinderen worden groot gebracht met ambities en verwachtingen van hun ouders. Of die nu hoog of laag zijn. Of je nu mee kreeg  “je moet worden wat je vader ook was” of “jij moet niet mijn fouten maken”: je wordt op pad gestuurd met wat de Transactionele analyse[i] een levensscript noemt: een voorgeschreven levens-loop. Mijn script ging niet verder dan mijn 28e, zoals het script voor mijn moeder niet verder ging dan het eindexamen. We kunnen de geschiedenis alleen stap voor stap veranderen.

Gelukkig heb ik gevonden wat ik wilde. Ik heb 40 jaren betaald werken vol gemaakt. Meer daarover in een volgende blog.

[i] Koopmans, L. (2012) , Dit ben ik! Worden wie je bent met Transactionele Analyse.


Wit organiseren

In de veranderkunde is de taal van de kleuren, die door Leon de Caluwé (later samen met Hans Vermaak) is ontwikkeld, gemeengoed geworden. Onder anderen organisatie-adviseurs en leidinggevenden maken gebruik van deze typologie van strategieën om een geplande verandering in gang te zetten. De meesten hebben een of twee voorkeuren omdat ze nu eenmaal vaste overtuigingen hebben over hoe mensen in beweging komen. Via deze link kan men De Caluwé en Vermaak horen uitleggen welke opvattingen over organiseren de vijf kleuren typeren.

De kleur wit lijkt het minst makkelijk te gebruiken. Kort weergegeven lijkt witdruk-denken (zoals zij het noemen) op Wu wei, het oosterse principe van niet-doen. Er is altijd al beweging, mensen veranderen, maar willen niet veranderd worden. Wie graag wil dat er gerichte verandering plaats vindt, zou de stroom van verandering kunnen proberen te beïnvloeden door obstakels weg te nemen; zoals men een beekje kan verleiden een andere bocht te nemen door grote stenen weg te halen en die elders neer te leggen. Waar precies de verandering uitkomt is niet te zeggen, maar dat is ook niet de bedoeling. Het woord “moeten” komt in het jargon van de witdruk-denker niet voor. Ook ik vond witdruk-denken lastig te gebruiken, totdat ik mede-initiatiefnemer werd van één van de stadsdorpen in Amsterdam.

Alleen mensen die uit zichzelf voelen voor het idee stadsdorp, melden zich aan. En welk idee het dan is, wat een stadsdorp wel of niet is, bepalen ze vervolgens mede zelf. Wie wil doet mee aan een activiteit die iemand anders, die zin heeft, heeft georganiseerd. Op die wijze zijn o.a. een vogel-kijk-groep en een breicafé ontstaan, maar ook een kunstavond. Soms doet iemand een voorstel voor een nieuwe activiteit, maar is niet bereid de organisator ervan te zijn. Dan is die activiteit er dus (voorlopig) niet.

Zodra  “je zou toch eigenlijk moeten” doorklinkt, schrikken mensen terug. Dat is dus één van de obstakels die wij als initiatiefnemers wegnemen: het gevoel dat er iets moet. De binnenbuurten, die bedoeld zijn om met elkaar een vorm van nabuurschap te creëren, kennen zo min mogelijk afspraken. De belangrijkste spelregel is, dat als voor iemand van de binnenbuurt de nood aan man komt, aan alle anderen gevraagd mag worden in hoeverre hij/zij tijd en gelegenheid heeft om een handje te helpen. Men legt zich dus niet tevoren vast om de een of andere dienst te leveren.

Sommigen vinden dat moeilijk te geloven. Niet zelden horen we: “Wat een goed initiatief, zo’n stadsdorp. Maar ik heb het te druk om mee te doen.” We blijven herhalen dat je ook deel kunt uitmaken van het stadsdorp als je niets doet behalve je inschrijven. Men hoeft ook niet te betalen;  immers in een dorp betaal je ook niet om dorpsbewoner te zijn.

Nog een manier waarop het stadsdorp “wit” is georganiseerd, is het creëren van de gelegenheid om elkaar te ontmoeten. Voor de maandelijkse sociëteit hoef je je niet aan- of af te melden. Je kunt gaan als je zin en tijd hebt. De medewerking van een hotel door een ruimte beschikbaar te stellen, maakt het mogelijk zonder vaste kosten de sociëteit te organiseren.

Zo groeit het stadsdorp langzaam maar gestaag. Wij, initiatiefnemers, leren wat wel en niet kan in dit specifieke stadsdorp. Want ook dat is “wit”organiseren: meegaan met de cultuur van deze buurt. En ook wij doen alleen wat we zelf graag willen doen.


Licht reizen als je ouder wordt.

De vakantie is achter de rug. Hoe heb je gereisd? Met een auto vol spullen, met grote koffers in het vliegtuig, of juist met één rugzak? Licht reizen gaat wat mij betreft niet alleen over vakantie, het is een metafoor voor de wijze waarop je met het ouder worden kunt leven. In het midden van je (werkzame) leven reis je zwaar bepakt: je bent allerlei verplichtingen aangegaan, je moet zoveel werk doen dat je nu maar ook in de toekomst een inkomen verdient, je hebt de zorg voor de volgende generatie en soms ook voor de vorige. Maar als je ouder wordt, dan is het welkom om te proberen zo licht mogelijk te reizen. Hier geef ik enkele voorbeelden hoe ik dat lichte reizen zie. Het gaat veel meer over hoe je je leven inricht, dan over wat je precies doet.

Zo veel of weinig betaald werk als financieel mogelijk is. Nu we steeds langer door moeten werken voordat we met pensioen kunnen gaan, is het des te meer wenselijk om je af te vragen hoe je de jaren boven de zestig inricht. In hetzelfde tempo doorwerken is vaak in strijd met wat je lichaam je vertelt over wat je aan kunt. Door je financiën goed onder de loep te nemen, kun je je loopbaan afstemmen op je levensfase. Voor mij betekent het dat ik afscheid heb genomen van de maatschap waar ik mede verantwoordelijk voor was en dat ik mijn part-time baan heb losgelaten om als zzp’er verder te gaan.

Ruimte voor onverwachte gebeurtenissen. Menig gepensioneerde neemt ogenblikkelijk net zoveel onbetaalde verplichtingen op zich als hij eerst betaalde had. Licht reizen betekent dat je flexibele verplichtingen op je neemt, waardoor je ruimte krijgt voor al wat onverwacht op je pad komt (leuke dingen en moeilijkheden). Er is tegenwoordig veel vrijwilligerswerk waar je duidelijk afgebakende afspraken kunt maken (bijv. drie weken iets doen i.p.v. met regelmaat). Ook in je privé afspraken kun je die flexibiliteit inbouwen (kijk de kunst af van jongeren die pop-up-bijeenkomsten heel gewoon vinden). Geen vaste-oppas-oma zijn maar oproep-oppas-oma, naar een sociëteit gaan waar je elke maand naar toe kunt – maar niet hoeft, een cursus volgen van 6 weken.

Ruim af en toe flink op.  Dit is een tip die niet alleen op oudere leeftijd van belang is. Al je spullen eens door je handen laten gaan, wegdoen wat je niet meer of niet vaak nodig hebt. Het aardige is dat je hiermee aansluit bij een maatschappelijke ontwikkeling waar het gebruik van dingen in de plaats komt van het bezit ervan (bijv. peerby). Het maakt niet alleen meer ruimte in je kasten maar ook in je hoofd.

Zorg voor je konvooi.  Je hele leven heb je een konvooi nodig, mensen die met je meereizen in voor- en tegenspoed. Vergelijkbaar met backpackers die onderweg plezier met elkaar hebben maar ook elkaar helpen. Zeker bij het ouder worden is het belangrijk die mensen die al lang met je meereizen in ere te houden. Minstens zo belangrijk is het om nieuwe mensen, van verschillende generaties, erbij  te leren kennen. Door in je fitte periode als oudere goede contacten te leggen en te onderhouden, verkrijg je steun op je oude dag. De stadsdorpen in Amsterdam zijn een voorbeeld van een nieuwe vorm van konvooi.

Licht reizen ben ik aan het leren. Licht reizen gaat om de tocht en niet om de bestemming. 


Stadsdorpen in Amsterdam

In de politiek en dus in de media struikel je over begrippen als burgerinitiatieven, participatiemaatschappij en mantelzorg als antwoord op de steeds groeiende behoefte aan zorg en ondersteuning van ouderen, zieken en gehandicapten. Verder ontwikkelt zich steeds meer een deeleconomie als duurzaam alternatief voor de consumptiemaatschappij. In Amsterdam zijn de stadsdorpen een interessante  combinatie van beide. In de ene buurt na de ander staan enkele mensen op die (vrijwillig) op zich nemen om in hun buurt een stadsdorp te organiseren.

Een stadsdorp is een initiatief van en voor bewoners in een buurt met het doel modern nabuurschap te bewerkstelligen. Dat is in Amsterdam niet vanzelfsprekend zoals in bijvoorbeeld de Achterhoek, waar het naoberschap al eeuwen bestaat. Het uitwisselen van diensten en spullen past in de tijd van delen en ruilen, herstellen en recyclen.

Alle stadsdorpen hebben twee pijlers om hun doelstelling te bereiken. Ten eerste worden door en met buurgenoten activiteiten georganiseerd. Voordat je elkaar in tegenspoed kunt bijstaan, is het prettig om elkaar in voorspoed te leren kennen. Een dorp in de stad, een tegenwicht tegen de anonimiteit. Maar wie een stadsdorp een goed idee vindt en geen activiteiten kan of wil doen, is evenzeer welkom.

Verder kennen alle stadsdorpen binnenbuurten. Een binnenbuurt bestaat uit 20-40 mensen uit een of enkele straten. Zij spreken af om elkaar te steunen als de nood aan man of vrouw komt. Dit is de concrete uitwerking van naoberschap. Je kunt een binnenbuurt beschouwen als een verzekering in natura. De premie die je betaalt, is de hulp die je indien nodig verleent aan elkaar. En net als bij een brandverzekering, ben je maar al te zeer bereid premie te betalen, terwijl je hoopt nooit een uitkering van de verzekering nodig te hebben.

Zelf ben ik ook een van de initiatiefnemers van een stadsdorp, namelijk stadsdorp VondelHelmers. Het is een groot avontuur. Allereerst natuurlijk de vraag of in mijn buurt wel belangstelling zou zijn voor een stadsdorp? Die vraag kan ik – na bijna anderhalf jaar – positief beantwoorden, want het aantal deelnemers groeit gestaag. Maar als er deelnemers zijn, wat willen we dan? En hoe organiseer je dat? Dat wordt al doende door de deelnemers bepaald en georganiseerd.

Gelukkig staat niemand er alleen voor. De stadsdorpen hebben onderling contact. De initiatiefnemers van alle stadsdorpen komen twee maal per jaar bijeen om van en met elkaar te leren. Dan blijkt dat in grote lijnen de doelen wel gelijk zijn, maar dat er grote en interessante verschillen tussen alle stadsdorpen zijn in de uitwerking. Die verschillen komen voort uit verschillen tussen de buurten, maar ook uit verschillen tussen initiatiefnemers.

In een volgende blog zal ik nader bespreken hoe zo’n binnenbuurt werkt of kan werken. Wie nu al nieuwsgierig is geworden naar de stadsdorpen, kan op stadsdorpenamsterdam.nl terecht.


Hoe leer jij graag?

Als jij iets nieuws wilt leren, bijvoorbeeld de Franse taal, wat doe je dan? Volg je een schriftelijke cursus of reis je direct naar Frankrijk om al doende de taal te leren? Of neem je deel aan een conversatiegroepje?

Toen ik leerde zwemmen, ruim een halve eeuw geleden, moest ik eerst droogzwemmen, d.w.z. op een krukje liggen en de schoolslag maken. Pas toen ik dat kon, mocht ik in het diepe water hetzelfde doen, veilig (!) aan een hengel waaraan een ronde leren band hing, waarin ik lag te balanceren. Ik was voornamelijk bang.

afb-Vaste-Hengel

bron: zweminfo.org

Men dacht toen dat je zwemmen het beste leert door eerst te oefenen buiten of boven het water, voordat je het in het echt ging doen. Inmiddels is al lang bekend dat de meeste kinderen zo niet graag leren zwemmen. Zelf ontdekken vanaf het ondiepe en kijken hoe een ander het doet werkt voor hen veel beter.

Zo heeft iedereen voorkeuren voor bepaalde manieren van leren.  Soms is de voorkeur afhankelijk van wat je moet leren, maar er zijn ook duidelijke verschillen per persoon. Menigeen heeft verscheidene leervoorkeuren.  Manon Ruijters heeft als eerste de volgende vijf leervoorkeuren benoemd:

  • Oefenen – In een veilige omgeving, niet voor het “echie” eerst vaardig worden. Wiskundesommen maken om voor je toets te oefenen. Rollenspellen doen om gesprekstechnieken te oefenen.
  • Ontdekken – in het diepe springen en maar zien of je je drijvend kunt houden. Of aan een nieuwe klus beginnen en al doende leren.
  • Kunst afkijken – je ziet hoe een bekwaam persoon iets doet en dat doe je na. Het meester-gezel leerproces werkt al vanaf de tijd van de gilden.
  • Kennis verwerven – eerst lezen of je laten voorlichten wat er bekend is over een onderwerp, voordat je er zelf mee aan de slag gaat.
  • Participeren – met anderen praten om samen een onderwerp onder de knie te krijgen. Een werkgroep die een nieuw ontwerp maakt, gebruikt gezamenlijk deze leervoorkeur.

Zowel wie onderwijst als wie leert heeft er baat bij te weten hoe mensen leren. Als je weet hoe je deelnemers graag leren, kun je in het ontwerp van de opleiding (of beter: leertraject want het hoeft geen formele opleiding te zijn) daarmee rekening houden. Als individu kun je, als je je voorkeuren kent, je eigen ontwikkeling beter sturen. Dan weet je of je naar Frankrijk moet reizen of een cursus volgen of allebei. Want je hebt meestal niet één voorkeur, maar een profiel: sommige manieren van leren vind je meer of minder je prettig, aan andere heb je meer of minder een hekel.

Leervoorkeuren kunnen veranderen in de loop van je leven. Als je net begint, kijk je misschien liever eerst de kunst af van een ervaren persoon, terwijl je met veel kennis en ervaring makkelijker de strategie van ontdekken volgt (je redt je toch altijd wel). Ouderen lezen vaak eerst een handleiding van een apparaat (kennis verwerven), terwijl jongeren direct aan de slag gaan (ontdekkend leren). Maar er zijn ook mensen die hun hele leven dezelfde voorkeuren of afkeer houden. Rollenspellen? Dat nooit.

Hoe mensen leren – voor mij het boeiendste onderwerp in mijn werk. Wil je weten wat jouw leervoorkeuren zijn? Doe dan deze test.