Tag Archives: jezelf zijn

Hoe besluit je waarheen je met vakantie gaat?

Het is juli, de scholen zijn dicht, de meeste mensen zijn met vakantie. Als je met je partner en/of wat oudere kinderen met vakantie bent, wat is het dan geworden? Wilden jullie allemaal dezelfde vakantie of  waren er verschillende wensen? En als de wensen uiteenliepen, hoe is het besluit dan tot stand gekomen?

In de Nederlandse cultuur is het gebruikelijk om open te zijn èn te onderhandelen. Ieder heeft het recht op een eigen mening, een eigen wens en daarna beginnen we te onderhandelen. We worden daar van jongs af aan in opgevoed en we zijn er dan ook heel gehaaid in geworden. Redelijkheid, dat is wat van ons verwacht wordt, overleg met argumenten. Als we vorig jaar jouw zin hebben gedaan, dan ben ik nu aan de beurt. Of misschien kunnen we elkaar tegemoet komen? Eerst een week strand en dan een week een stad? We houden over de jaren heen een verborgen weegschaal in balans: als het goed is legt ieder ongeveer evenveel gewicht in de schaal.

In het beroepsleven wordt ook veel onderhandeld. De aanpak kan worden samengevat als: zacht op de relatie, hard op de inhoud. Dus zorg dat je prettig, redelijk, begripvol blijft praten, waardoor de relatie in stand blijft. Je komt elkaar immers de volgende keer weer tegen. En op die basis kun je dan je redelijke deel krijgen.

Op het eerste gezicht lijkt het in privé-situaties net zo te werken. Geven en nemen, geen ruzie maar verstandig praten, ieder een beetje of om de beurt zijn zin, maar is dat genoeg? Vaak niet. Er komt toch vaak ruzie, ongemakkelijke gevoelens. Je kunt het gevoel krijgen dat je gemanipuleerd wordt. Je gaat niet lekker naar een stad als je weet dat je partner met je mee gaat alleen omdat jij vorig  jaar mee bent gegaan naar het strand. Dit soort compromissen zijn te redelijk, er ontbreekt iets. Ik denk, dat je in privé- situaties, waar je met je levensgezel(len) vele jaren tot overeenstemming wilt komen, je een slag dieper moet gaan.

Zacht op de relatie betekent privé meer dan alleen vriendelijk zijn en redelijke argumenten gebruiken.  Als de één vraagt om naar het strand te gaan en de ander wil naar de stad, wat zijn dan de drie aspecten van die beide wensen?

De inhoud is: ik wil graag naar het strand, resp. naar de stad.
Het relationele aspect is: wij zijn levensgezellen, wij hebben een goede basis samen om eruit te komen.
Het appellerend aspect: ik wel erkend worden; je moet me laten merken dat je rekening met me houdt.
De inhoud van de boodschap hoor je in de gesproken woorden, de beide andere aspecten merk je vooral aan de toon en andere non-verbale signalen.

Het appellerend aspect is de adder onder het gras. Als je kort door de bocht besluit nu naar de stad te gaan omdat je vorig jaar naar het strand bent gegaan, dan komt de erkenning van beiden niet tot zijn recht. Degene die inschikt, hoezeer hij/zij het verstandelijk ook eens is met de (redelijkheid van de) conclusie, is tekort gekomen in de communicatie op het appèl dat hij/zij heeft gedaan. En degene die dit keer zijn/haar zin krijgt, heeft ook niet het gevoel erkend te worden, want hij/zij krijgt alleen een eerlijke deal.

In wezen gaat het niet om de vraag waar je precies naar toe gaat. Het appèl is: ben ik belangrijk voor je? Zie je me met mijn verlangens? Wil je echt naar me luisteren? Dat zijn geen vragen die je makkelijk zo stelt aan elkaar, dus die worden verpakt in het appèl van een vakantiebestemming. Als je de erkenning met elkaar kunt bespreken of aan elkaar kunt laten voelen, dan kom je tot een gedragen besluit.

Ik wens je een heel mooie zomer, waar je ook bent!


Spitsuur van het leven

Veel mensen bevinden zich in het spitsuur van hun leven zo tussen 30 en 45 jaar, als ze een gezin met opgroeiende kinderen combineren met betaald werk buitenshuis. Af en toe kan het water je tot de lippen staan, het gevoel dat het allemaal te veel is.

Je hebt alles redelijk onder controle, maar het is wel hectisch. Allerlei taakverdelingen tussen de echtelieden hangen op het prikbord. Iedereen is moe aan het eind van de dag als er ook nog gekookt, gegeten en naar bed gebracht moet worden.

Je gezin lijkt niet alleen een te managen bedrijfje, dat is het ook. Je merkt dat je de kinderen net zo regelt als je werkzaamheden buitenshuis. Als je dit nu daarmee combineert, kan net nog Marietje tussendoor met haar schoolwerk worden geholpen. Handig dat Jantje even bij een vriendje is, dan kun jij gauw de boodschappen doen.

Het genieten van je rijkdom schiet erbij in. Je baan is interessant en het geld is nodig. Je wilde dolgraag kinderen en je houdt van je partner. Nu spreek je elkaar voornamelijk over wie wanneer een kind kan ophalen. Samen genieten van de ontwikkeling van je koters, gewoon stil zitten en ernaar kijken, lijkt lang geleden. Jullie humeur lijdt er waarschijnlijk ook onder. Kribbig stel je vast dat het een troep is in huis; wie zou die ook weer opruimen? Jij bent er in elk geval te moe voor.

Je kunt je zo wel voorstellen wat ik bedoel. Maar wat kun je eraan doen? Gebruik een half uur voor het maken van een lijstje van vijf dingen, die je het meeste ergernis en stress geven. Kijk wat bovenaan staat in deze top 5. Dat  kan maar hoeft helemaal niet iets tijdrovends te zijn. Iedere keer als het spitsuur je tot radeloosheid drijft, kun je deze oefening doen. Toen ik dit eens deed, merkte ik dat het doen van veel boodschappen met een peuter me uitputte. Een uur tevoren begon de spanning al, in de supermarkt worstelde ik met een lange lijst boodschappen en een peuter die ook alles wilde pakken; thuis had ik nog minstens een uur nodig om weer enigszins een goed humeur te krijgen. Het kostte me al met al meer dan drie uren in plaats van het ene uur dat ik er echt voor nodig had.

Wat je het meeste stress en ergernis oplevert, besteed je uit. In mijn geval zocht ik een middelbare scholier die voor een vast bedrag de boodschappen voor een halve week deed. Hij kreeg mijn fiets met grote fietstassen en een lijst mee. Wat een opluchting! Het maakte dat ik ’s avonds fut genoeg had om van de maaltijd nog een plezierige bijeenkomst te maken.

De valkuil die je zo vermijdt is dat je “iets leuks voor jezelf” zou moeten doen, dat ook nog ergens ingepland moet worden. De kunst is om iets weg te doen, dat je afhoudt van het genieten van wat je al hebt in het leven.


Soort zoekt soort …. tot het niet meer kan

Zeg mij wie uw vrienden zijn en ik zal u zeggen wie u bent. Ook in het tijdperk van netwerken gaat deze oude spreuk op. Vriendengroepen bestaan uit mensen die iets met elkaar gemeen hebben. De spreuk geldt ook voor onszelf: door onze vriendenkring weten we  wie we zijn, het voelt vertrouwd, beschermd.

Wij kiezen onze vrienden en kennissen. Door de grote mobiliteit die al een eeuw lang mogelijk is, zoeken  we vrienden niet meer alleen in onze eigen buurt of dorp. We kiezen, bewust of onbewust, mensen uit die dezelfde waarden, voorkeuren en interesses hebben. Liever fietsen of rijden we een eind, dan dat we vrienden zijn met hen, die te zeer van ons verschillen. Als je je eigen vriendenkring bekijkt, dan kun je zien dat deze bewering klopt.

In sociologische terminologie spreken we van leefstijlen. Je kunt ze ook zelf herkennen – om enkele uitersten te noemen: bij politiek links  en hoog opgeleid hoort de Volkskrant, de Groene Amsterdammer, klassieke concerten, pro multi-culti, duurzaam, bepaalde kleding. Bij politiek rechts en laag opgeleid hoort De Telegraaf (of helemaal geen krant), bingo, André Hazes en (luidruchtige) gezelligheid. Natuurlijk ga je in het maatschappelijk leven ook met mensen van andere leefstijlen om, maar soort zoekt soort in de vrije tijd. Je konvooi in het leven bestaat uit mensen van jouw leefstijl.

Het probleem begint als je (oud en) niet meer gezond bent. De nieuwe wetgeving omtrent gezondheidszorg verplicht ons om zo lang mogelijk thuis te blijven, ook als we daardoor vereenzamen doordat we onze vrienden niet meer kunnen opzoeken. En nog erger wordt het als we definitief in een verpleeghuis moeten worden opgenomen.

De dood schakelt ons allen gelijk en het verpleeghuis begint vast. Want in het verpleeghuis, waar sommigen de laatste jaren van hun leven moeten wonen, ordent men mensen naar de diagnose waarmee ze zijn opgenomen: CVA, dementie, somatisch. Bovendien kom je in dat huis terecht waar het eerst een plaats is, dus op volgorde van de wachtlijst i.p.v. naar keuze. Geen ruimte meer voor de eigen leefstijl. Het feit dat een verpleeghuis voor veel mensen een schrikbeeld is, wordt voor een groot deel veroorzaakt door het feit dat je met mensen van allerlei leefstijlen moet samenwonen in een omgeving die niet op je woning lijkt. Je kunt niet meer kiezen met wie je dagelijks omgaat in de vele vrije tijd die je hebt.

Mensen met een vorm van dementie gaan sneller achteruit doordat ze niets meer herkennen. Zeg me wie mijn vrienden zijn, en ik herken mezelf. Als er mensen om me heen zijn van mijn leefstijl, met dezelfde krant als ik altijd lees, die houden van de spellen die ik altijd speelde, en van dezelfde muziek, als er meubels staan als bij mij thuis, dan weet ik langer wie ik ook al weer ben.

Toch is wonen met behoud van leefstijl – gelukkig –  hier en daar wel mogelijk. Er zijn verpleeghuizen waar men mensen samen laat wonen naar leefstijl. Het mooiste voorbeeld dat ik ken is Hogeweyk in Weesp.

In de verpleeghuiszorg zou meer aandacht voor leefstijlen moeten zijn. Ook met eenvoudige maatregelen kunnen leefstijlgroepen gemaakt worden.

 


Valse bescheidenheid?

Als je om je heen kijkt en luistert, dan zal je opvallen dat sommige mensen het moeilijk vinden om een compliment te ontvangen. Neem dit voorbeeld: Marieke heeft een omvangrijke klus geklaard als projectleider en haar baas geeft haar ten overstaan van collega’s een flink compliment. Hoe reageert ze? “O, maar dat komt doordat iedereen zo goed meewerkte.” 

Is hier sprake van valse bescheidenheid? De kans is groot dat er (ook nog) iets anders aan de hand is.

Marieke maakt het compliment kleiner of zelfs ongedaan door te zeggen dat de omgeving, niet zijzelf, dit succes te weeg heeft gebracht. In de attributietheorie wordt dit externe attributie genoemd. Dit is sociaal psychologisch jargon voor het verschijnsel dat sommige mensen geneigd zijn succes (of iets anders dat gebeurt) toe te schrijven aan externe oorzaken. Dat is jammer, want terwijl je zelfvertrouwen zou kunnen toenemen als je een compliment krijgt bij interne attributie (als je jezelf als oorzaak van het succes ziet), gebeurt dat niet bij externe attributie. En juist mensen met een laag zelfvertrouwen hebben de neiging tot externe attributie van succes.

Had ze dit ook gezegd als ze juist was berispt omdat het project niet zo goed was verlopen?  Waarschijnlijk zou ze falen juist intern attribueren, dus als haar fout zien. Dat gaat vaak samen. Mensen met een wat laag zelfvertrouwen zijn geneigd om falen aan zichzelf te wijten.En daardoor neemt het zelfvertrouwen vervolgens weer af.

Het omgekeerde komt ook voor. Succes juist aan jezelf toeschrijven en falen aan de omstandigheden. “Ik kon er niets aan doen, dat het niet lukte, want niemand werkte mee”. En “Ja, het is een succes geworden, ik heb er hard voor gewerkt”. Je ziet meteen wat dit met iemands zelfvertrouwen doet.

Vrouwen zijn meer geneigd om succes aan de omgeving (gelukkig toeval, anderen) toe te schrijven, mannen juist aan zichzelf.  En omgekeerd, vrouwen wijten falen meer aan zichzelf, mannen aan externe omstandigheden. Anders gezegd, hoewel zowel mannen als vrouwen een laag zelfvertrouwen kunnen hebben, komt dat bij vrouwen meer voor. En (o.a.) door complimenten af te wimpelen, blijft dat ook zo.

Herkenbaar? Probeer dan om een compliment gracieus in ontvangst te nemen. Alsof je een cadeautje uitpakt. Dat is goed voor jou en ook veel leuker voor degene die jou het compliment geeft. Je hoeft alleen maar “dank je wel” te zeggen.


Vergaderen de baas

In scholen wordt veelal een middag per week geen les ingeroosterd en dan dienen alle docenten te vergaderen. Het blijkt dat een middag per week te weinig is: de meeste mensen moeten kiezen tussen verschillende gelijktijdige verplichte vergaderingen. We moeten overleggen om samen een doel te bereiken, om het eens te worden, samen een besluit te nemen, draagvlak te krijgen voor een voorstel. Overleg is een kernbegrip in onze (Nederlandse) cultuur.

Vrijwel iedereen die ik ken, vindt vergaderen een noodzakelijk kwaad. We zijn ervan overtuigd dat we erbij moeten zijn. Dat we allemaal moeten meepraten en meebeslissen om tot goede, gedragen besluiten te komen. Vooral in de non-profit sector  leeft deze opvatting. Tegelijkertijd hebben we last van de hoeveelheid tijd en energie die vergaderen opslokt.

Vergaderen als belangrijke manier om processen goed te laten verlopen stamt uit de begintijd van de generaties die nu de baas zijn. Dat zijn de protestgeneratie (geboren tussen 1940 en 1955) en generatie X (geboren tussen 1955 en 1970). Een generatie deelt een aantal waarden, gevormd als ze zijn door hun opvoeders en de culturele en maatschappelijke omstandigheden van hun tijd. Iedere generatie heeft daardoor gedeelde sociale patronen, manieren van doen.

De protestgeneratie heeft vergaande democratisering in de maatschappij gebracht in een tijd zonder mobiele telefoon of internet. Toen waren overleg en vergaderen waaraan iedereen mocht meedoen, een verworvenheid. In de roemruchte jaren eind ’60 en ’70 realiseerde deze generatie een enorme uitbreiding en versterking van formele inspraak en mee-beslissing van alle geledingen in organisaties. Deze generatie is door pensionering jaar na jaar minder aanwezig in organisaties.

Generatie X neemt in alle sectoren nu de leiding over. Deze generatie is goed in verbinden, in het gebruik maken van verschillende kwaliteiten van mensen. Ook zij zijn opgegroeid zonder mobiele telefoons en internet. Overleg is een manier van verbinden van mensen om samen een goed product of dienst te maken. Generatie X is dan ook geneigd om vergaderingen en overleg in stand te houden. Ook al heeft iedereen – zijzelf incluis – vaak het gevoel dat er te veel wordt vergaderd.

Generatie Y (geboren tussen 1985 en 2000) weet niet beter dan dat iedereen aldoor makkelijk bereikbaar is. Overleg gaat snel, bijv. via whatsapp. Deze generatie houdt bovendien van actie; overleg vinden ze in het algemeen energieverslindend. Creëren door (samen) doen is hun motto. De generatie ertussen in, de pragmatische generatie, wil vooral dat hun werk leidt tot nuttig en zichtbaar resultaat. Het woord “draagvlak” gebruiken deze generaties niet.

We kunnen leren van jongere generaties. En generatie X, die zo graag verbindt, is daar zeker toe bereid. Ook de leden van de protestgeneratie, die – nu ze ouder zijn – graag hun steentje maatschappelijk blijven bijdragen, zijn geïnteresseerd in minder vergaderen en in andere vormen van contact.

Dit is een oproep aan jongere generaties om zich niet zwijgend aan te passen aan de vergadercultuur die hen niet bevalt. Je zult merken dat veel ouderen graag meegaan in minder vergaderen en het zoeken van andere vormen van onderling afstemmen.


Stadsdorpen in Amsterdam

In de politiek en dus in de media struikel je over begrippen als burgerinitiatieven, participatiemaatschappij en mantelzorg als antwoord op de steeds groeiende behoefte aan zorg en ondersteuning van ouderen, zieken en gehandicapten. Verder ontwikkelt zich steeds meer een deeleconomie als duurzaam alternatief voor de consumptiemaatschappij. In Amsterdam zijn de stadsdorpen een interessante  combinatie van beide. In de ene buurt na de ander staan enkele mensen op die (vrijwillig) op zich nemen om in hun buurt een stadsdorp te organiseren.

Een stadsdorp is een initiatief van en voor bewoners in een buurt met het doel modern nabuurschap te bewerkstelligen. Dat is in Amsterdam niet vanzelfsprekend zoals in bijvoorbeeld de Achterhoek, waar het naoberschap al eeuwen bestaat. Het uitwisselen van diensten en spullen past in de tijd van delen en ruilen, herstellen en recyclen.

Alle stadsdorpen hebben twee pijlers om hun doelstelling te bereiken. Ten eerste worden door en met buurgenoten activiteiten georganiseerd. Voordat je elkaar in tegenspoed kunt bijstaan, is het prettig om elkaar in voorspoed te leren kennen. Een dorp in de stad, een tegenwicht tegen de anonimiteit. Maar wie een stadsdorp een goed idee vindt en geen activiteiten kan of wil doen, is evenzeer welkom.

Verder kennen alle stadsdorpen binnenbuurten. Een binnenbuurt bestaat uit 20-40 mensen uit een of enkele straten. Zij spreken af om elkaar te steunen als de nood aan man of vrouw komt. Dit is de concrete uitwerking van naoberschap. Je kunt een binnenbuurt beschouwen als een verzekering in natura. De premie die je betaalt, is de hulp die je indien nodig verleent aan elkaar. En net als bij een brandverzekering, ben je maar al te zeer bereid premie te betalen, terwijl je hoopt nooit een uitkering van de verzekering nodig te hebben.

Zelf ben ik ook een van de initiatiefnemers van een stadsdorp, namelijk stadsdorp VondelHelmers. Het is een groot avontuur. Allereerst natuurlijk de vraag of in mijn buurt wel belangstelling zou zijn voor een stadsdorp? Die vraag kan ik – na bijna anderhalf jaar – positief beantwoorden, want het aantal deelnemers groeit gestaag. Maar als er deelnemers zijn, wat willen we dan? En hoe organiseer je dat? Dat wordt al doende door de deelnemers bepaald en georganiseerd.

Gelukkig staat niemand er alleen voor. De stadsdorpen hebben onderling contact. De initiatiefnemers van alle stadsdorpen komen twee maal per jaar bijeen om van en met elkaar te leren. Dan blijkt dat in grote lijnen de doelen wel gelijk zijn, maar dat er grote en interessante verschillen tussen alle stadsdorpen zijn in de uitwerking. Die verschillen komen voort uit verschillen tussen de buurten, maar ook uit verschillen tussen initiatiefnemers.

In een volgende blog zal ik nader bespreken hoe zo’n binnenbuurt werkt of kan werken. Wie nu al nieuwsgierig is geworden naar de stadsdorpen, kan op stadsdorpenamsterdam.nl terecht.


Hoe leer jij graag?

Als jij iets nieuws wilt leren, bijvoorbeeld de Franse taal, wat doe je dan? Volg je een schriftelijke cursus of reis je direct naar Frankrijk om al doende de taal te leren? Of neem je deel aan een conversatiegroepje?

Toen ik leerde zwemmen, ruim een halve eeuw geleden, moest ik eerst droogzwemmen, d.w.z. op een krukje liggen en de schoolslag maken. Pas toen ik dat kon, mocht ik in het diepe water hetzelfde doen, veilig (!) aan een hengel waaraan een ronde leren band hing, waarin ik lag te balanceren. Ik was voornamelijk bang.

afb-Vaste-Hengel

bron: zweminfo.org

Men dacht toen dat je zwemmen het beste leert door eerst te oefenen buiten of boven het water, voordat je het in het echt ging doen. Inmiddels is al lang bekend dat de meeste kinderen zo niet graag leren zwemmen. Zelf ontdekken vanaf het ondiepe en kijken hoe een ander het doet werkt voor hen veel beter.

Zo heeft iedereen voorkeuren voor bepaalde manieren van leren.  Soms is de voorkeur afhankelijk van wat je moet leren, maar er zijn ook duidelijke verschillen per persoon. Menigeen heeft verscheidene leervoorkeuren.  Manon Ruijters heeft als eerste de volgende vijf leervoorkeuren benoemd:

  • Oefenen – In een veilige omgeving, niet voor het “echie” eerst vaardig worden. Wiskundesommen maken om voor je toets te oefenen. Rollenspellen doen om gesprekstechnieken te oefenen.
  • Ontdekken – in het diepe springen en maar zien of je je drijvend kunt houden. Of aan een nieuwe klus beginnen en al doende leren.
  • Kunst afkijken – je ziet hoe een bekwaam persoon iets doet en dat doe je na. Het meester-gezel leerproces werkt al vanaf de tijd van de gilden.
  • Kennis verwerven – eerst lezen of je laten voorlichten wat er bekend is over een onderwerp, voordat je er zelf mee aan de slag gaat.
  • Participeren – met anderen praten om samen een onderwerp onder de knie te krijgen. Een werkgroep die een nieuw ontwerp maakt, gebruikt gezamenlijk deze leervoorkeur.

Zowel wie onderwijst als wie leert heeft er baat bij te weten hoe mensen leren. Als je weet hoe je deelnemers graag leren, kun je in het ontwerp van de opleiding (of beter: leertraject want het hoeft geen formele opleiding te zijn) daarmee rekening houden. Als individu kun je, als je je voorkeuren kent, je eigen ontwikkeling beter sturen. Dan weet je of je naar Frankrijk moet reizen of een cursus volgen of allebei. Want je hebt meestal niet één voorkeur, maar een profiel: sommige manieren van leren vind je meer of minder je prettig, aan andere heb je meer of minder een hekel.

Leervoorkeuren kunnen veranderen in de loop van je leven. Als je net begint, kijk je misschien liever eerst de kunst af van een ervaren persoon, terwijl je met veel kennis en ervaring makkelijker de strategie van ontdekken volgt (je redt je toch altijd wel). Ouderen lezen vaak eerst een handleiding van een apparaat (kennis verwerven), terwijl jongeren direct aan de slag gaan (ontdekkend leren). Maar er zijn ook mensen die hun hele leven dezelfde voorkeuren of afkeer houden. Rollenspellen? Dat nooit.

Hoe mensen leren – voor mij het boeiendste onderwerp in mijn werk. Wil je weten wat jouw leervoorkeuren zijn? Doe dan deze test.

 

 

 

 

 

 

 


Met welke aandacht doe jij je werk?

Ken je het verschil tussen een secretaresse en een wetenschapper? Een secretaresse die opkijkt van haar computer als je binnenkomt en je vraag beantwoordt, je bovendien helpt herinneren aan een afspraak, tussendoor een telefoon afhandelt en dan toch weer rustig en accuraat verder gaat met het stuk waarmee ze bezig was? Een wetenschapper die een stuk bestudeert en niet hoort dat je binnenkomt en staat te wachten? Wat is het verschil tussen beiden en wat is de overeenkomst?

Beiden voeren hun werk met grote aandacht uit, dat is de overeenkomst. Met die aandacht brengen ze hun werk tot een goed einde.

De secretaresse geeft gespreide aandacht, de wetenschapper geconcentreerde aandacht, dat is het verschil. De secretaresse is in staat steeds één taak naar de voorgrond te halen en die correct en met aandacht uit te voeren, terwijl haar alertheid voor andere taken blijft bestaan. De wetenschapper richt zijn aandacht op één taak en sluit zich af voor verdere taken.

Sommige taken vragen gespreide aandacht, andere geconcentreerde aandacht. En sommige mensen kunnen maar één van beide. Het is duidelijk dat iemand, die houdt van geconcentreerde aandacht geven, zich hopeloos voelt in een baan die gespreide aandacht vraagt en andersom. Je ziet het verschil al tussen kinderen in de peuterspeelzaal: het ene kind komt naar binnen, kiest een speeltje en gaat daarin op. Het andere kind komt naar binnen, kijkt uitgebreid om zich heen, begint met spelen maar gaat ook in op allerlei andere signalen. Tot de eerste soort kinderen horen meer jongens, tot de tweede soort kinderen horen meer meisjes.

Hoe vaker je het één doet, des te meer verleer je het ander. Als je jarenlang voor iedereen klaar hebt gestaan als moeder of als kleuterleidster, lukt het haast niet meer om achter elkaar een boek uit te lezen. En als je jarenlang wiskundige problemen hebt opgelost, raak je van slag als je voortdurend je werk moet onderbreken om iemand van dienst te zijn. De voorbeelden zijn niet voor niets gekozen: er zijn meer beroepen waarin veel vrouwen werken, die gespreide aandacht vragen en meer beroepen waar veel mannen werken, die concentratie vragen. Maar er zijn natuurlijk ook veel beroepen die beide vragen.

Heb jij een sterke voorkeur voor een van beide of kun je allebei? En klopt het werk dat je doet (of ambieert) met jouw voorkeur? Misschien begrijp je nu ineens waarom je schrikt als iemand binnenkomt terwijl je zit te werken of waarom je na het doen van allerlei losse klusjes veel moeite hebt om een stuk te schrijven.

Meer weten? Lees dan een artikel van mijn hand waarin dieper op dit onderscheid wordt ingegaan en op de vraag of je gespreide aandacht en concentratie kunt leren.


Duivels dilemma: zzp’er blijven of een baan zoeken?

Laatst sprak ik iemand die zich als zzp’er heeft gevestigd omdat banen zo moeilijk te krijgen zijn. Het loopt eigenlijk best aardig, dat wil zeggen hij wordt voor van alles gevraagd: een workshop leiden, een lezing houden, in een forum deelnemen. Maar een behoorlijke omzet, echt een inkomen, dat is het niet. Droog brood en zelfs daarvan nog maar weinig. Hij wil eigenlijk de optie van een baan wel open houden. Dan wil hij – om een kans te maken een baan te vinden – zijn hele netwerk laten weten dat hij een baan zoekt. Maar kun je daarvoor uitkomen? Of loop je dan het gevaar dat je eigen bedrijf niet meer serieus wordt genomen en dus de weinige klanten die je hebt, ook nog wegblijven?

Dit is een dilemma: twee alternatieven die aantrekkelijk zijn, maar elkaar uitsluiten.

Kies je voor het ene alternatief (een eigen bedrijf – klanten werven), dan breng je het andere (een baan vinden door overal bekend te maken dat je op zoek bent) in gevaar en vice versa.

Bij een dilemma spelen rationele en emotionele argumenten een rol. Je doet er goed aan om die allemaal eens op te schrijven bij de beide alternatieven. De rationele argumenten zijn de kansen,  de risico’s en de consequenties van beide alternatieven. De emotionele argumenten zijn je gevoelsmatige voorkeuren; die weerspiegelen vaak ook de waarden die onder elk alternatief liggen. Waarden zijn opvattingen over wat goed  of wenselijk is, die ons gedrag sturen, dus ook het jouwe. Zo krijg je twee rijtjes, voor elk alternatief één: de feiten (hoe is de banenmarkt versus een ondernemingsplan) en jouw beweegredenen (wat wil je bijdragen aan de maatschappij, waar loop je warm voor).

Dan zijn er twee manieren om tot een besluit te komen:

1. Je geeft de twee rijtjes gevoelsmatig een cijfer (wat vind je ervan) en je kiest hetgeen het hoogste cijfer krijgt. Je zet het andere uit je hoofd en je probeert het beste te maken van je keuze. Je hebt het dilemma opgelost door één alternatief te kiezen.

2. Je vindt een derde weg, die het kiezen overstijgt. Dat heet een paradoxale oplossing voor een dilemma vinden. In ons voorbeeld: je maakt een bedrijf, waarin je – naar keuze door je opdrachtgever – je in tijdelijke loondienst of als free-lancer laat betalen. Dat zet je duidelijk bij je tarieven. En het zou natuurlijk kunnen zijn dat je ergens blijft hangen in een baan. Ik doe dat zo en het werkt. Juist in tijden van crisis wordt dit geaccepteerd, denk ik. Omdat het voor opdrachtgevers ook handig is om het voordeligste te kunnen kiezen: tijdelijk dienstverband of free-lance.

Voor het omgaan met een dilemma zo op deze manier bestaat een mooie methode, die je stapsgewijs meeneemt vanaf het formuleren van het dilemma tot het nemen van een besluit. Sta je voor een dilemma? Ik help je er graag doorheen.

 


Geen ondernemingsplan, toch zzp’er

In mijn vorige blog heb ik een lans gebroken voor het maken van een ondernemingsplan als je als zzp’er werkt. Maar het hoeft niet altijd. Wanneer is een ondernemingsplan niet nodig?

Om te beginnen moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. De eerste voorwaarde is dat je een beroep hebt waar weinig investering voor nodig is,waardoor je weinig financieel risico loopt. Bijvoorbeeld voor het beroep van coach heb je niet veel meer nodig dan een werkplek in je eigen huis, een laptop en een website. En als tweede voorwaarde moet je voldoende inkomen hebben om van te leven. Eigen vermogen of een (rijke) partner of een part-time baan kan daarin voorzien. Een uitkering is onvoldoende voorwaarde, want de meeste uitkeringen hebben bepalingen dat je de uitkering verliest als je een half jaar een bedrijf hebt, ongeacht of je succes had of niet.

Als niet aan deze beide voorwaarden is voldaan, is het dus verstandig wel een ondernemingsplan te maken.

Blijft wel de vraag waarom je, als je al een inkomen hebt, je überhaupt zou vestigen als zzp’er. Daar kunnen heel goede redenen voor zijn.

1. Je hebt nu geen baan en je wilt er erg graag een krijgen. Je wilt dus eigenlijk geen zzp’er zijn. Je gebruikt je eigen bedrijf om in de running te blijven en om geen gat in je cv te krijgen. Heel goed om jezelf dan als zzp’er te afficheren. Er komt wel een lastig dilemma op je weg: kun je jouw klanten de zekerheid bieden dat je jouw offertes gestand doet? Of zeg je hen op zodra je een baan hebt gevonden? Op dit dilemma ga ik in een volgende blog verder in.

2. Je hebt jonge kinderen en wilt daar grotendeels zelf voor zorgen. Echter je wilt wel over een aantal jaren weer volop aan het werk. Je wilt bijvoorbeeld vanuit huis enkele jaren je vak uitoefenen om het makkelijk te kunnen combineren met de zorg voor je kinderen. Vanwege de zorg voor mijn kinderen heb ik eerst jaren part-time in loondienst gewerkt onder meer als docent in het hoger onderwijs. Het liefst wilde ik daarna weer terug naar mijn beroep van (extern) organisatie-adviseur, maar welk organisatie-adviesbureau zou geloven dat ik dat nog kon? Dus heb ik mij als zzp’er gevestigd. Een paar oude bekenden gaven me wat opdrachten. Ik bewoog me weer in kringen van vakgenoten (“Hé, ben je weer terug?”) en  na een tijd werd ik uitgenodigd om te solliciteren naar een partnerschap in een maatschap. Ik heb 20 jaar met plezier in de maatschap gewerkt.

3. In jouw vak is de concurrentie (te) groot, maar je wilt het wel blijven uitoefenen. Dit geldt bijvoorbeeld voor veel kunstenaars, die zeer gemotiveerd zijn om hun vak uit te oefenen maar in de huidige tijd niet voldoende kunnen verdienen. Het geldt ook voor coaches en psychotherapeuten, voor wie het belangrijk is om hun ervaring bij te houden voor hun registratie in de beroepsgroep.

4. Je bent op weg naar je pensioen. Eigen baas zijn, precies datgene doen waar je goed in bent en dat je graag doet. Je wilt rustiger aan, maar volop in je interessante werkomgeving blijven functioneren. Ik doe dat nu en ik geniet ervan. En veel leeftijdsgenoten zie ik hetzelfde doen.

Vier goede redenen dus om als zzp’er aan het werk te gaan zonder ondernemingsplan, maar wel met een duidelijk doel voor je levensloopbaan. Herken je je in deze blog of heb je er vragen over? Laten we ons aan elkaar spiegelen, plaats een reactie op deze blog!