Tag Archives: jezelf zijn

Moeder als manager

In mijn vorige drie blogs over gezinnen met kinderen en werkende partners, heb ik het opvoeden en het huishouden als één full time taak beschouwd. In deze  vierde en voorlopig laatste blog belicht ik een belangrijk aspect daarvan, namelijk het management van het gezin. Zelfs als ze beiden vier dagen werken, is moeder de vrouw veelal niet geneigd het management te delen. Zij houdt het overzicht, signaleert, regelt, instrueert, plant.

Management in een gezin is een taak zonder begin en einde, het is er 24/7. Het is als een volcontinudienst zonder ploegenstelsel.

De manier waarop gesproken wordt over de taakverdeling laat zien dat het management bij de moeder ligt. Voor iedereen is een deeltaak: Papadag, Oma-en-Opa-dag, de crêchedag, de schooldag. Maar mamadag?  De hits op internet gaan vooral over Moederdag… Als je wilt dat dit verandert, let dan op je woorden, want ze sturen je gedachten (en van iedereen in het gezin). Dus Pappa past niet op, Pappa is er en zorgt voor alles wat er gedaan moet worden.

Als je toch graag zelf het management doet, doe het dan ook efficiënt. Gebruik de managementtechnieken[1], die ook gelden waar betaald gewerkt wordt, om het draaiend houden van je gezin te stroomlijnen. Een gezin is in veel opzichten een sociale onderneming.

Het begint ermee dat je je focus kiest.  Waar ben je van en waarvan niet? Dat is vergelijkbaar met wat een onderneming doet: wat is mijn core business? Bespreek als partners je visie wat je belangrijk vindt in je gezin; dat doe je al impliciet maar expliciteren helpt. Een gezin kan op heel veel manieren gestalte krijgen. Bij de één is het een zoete inval,  bij de ander wordt veel muziek gemaakt, bij de derde is het huis netjes en schoon op elk moment van de dag. Als je weet wat je echt belangrijk vindt, hou je daar dan ook aan. Dat scheelt enorm veel schuldgevoel, want al het andere is dus niet van toepassing. Bij de zoete inval kan het niet altijd netjes zijn, wie veel tijd steekt in (samen) musiceren kan niet rust en stilte in huis hebben.  Toen mijn vader met mijn moeder trouwde, zei hij: “Bij mijn moeder mocht altijd alles, ik hoop dat dat bij ons ook kan.” Niet letterlijk natuurlijk, maar in de zin dat er altijd mensen/kinderen konden blijven eten of slapen en initiatieven van de gezinsleden werden aangemoedigd. Deze slogan heb ik mijn hele kindertijd gehoord en mijn ouders hebben het samen waar gemaakt.

Betrek je gezinsleden bij zaken die niet goed gaan. Kinderen, net als mensen op het werk, willen wel veranderen maar niet veranderd worden. Om van je partner maar niet te spreken. Als er altijd vuile was rondslingert, blijf die dan niet zelf opruimen met een steeds slechter wordend humeur. Stel het aan de orde en je zult verbaasd staan van de creatieve oplossingen.

Het helpt zelfs om je gezinsleden af en toe als klanten te beschouwen. De klant is geen koning, het is niet “U vraagt, wij draaien”. Maar je wilt je klanten wel tevreden houden. De maaltijd is een mooi voorbeeld van hoe elke klant iets anders wil. Je gaat uiteraard niet vier maaltijden koken. Maar er zijn wel creatieve vormen waardoor er voor elk wat wils is. Zo heb ik een “pastatafel” ontwikkeld, vergelijkbaar met “rijsttafel”. De pasta is in één schaal, alle dingen die je erin of erbij zou kunnen doen, staan in aparte schaaltjes op tafel: geraspte kaas, tomatensaus, geruld gekruid gehakt, gesneden basilicum, gebakken champignons etc.

Ook bij efficiënt management blijft een gezin met twee werkkringen en twee kinderen een hectisch geheel. Af en toe is de manager dan ook over haar toeren. Misschien heb je dan iets aan de tips in mijn blogs “Spitsuur van het leven”.

 

[1] Ik heb een oud boekje: “Mevrouw als manager”, geschreven door Christiane Collange. Het is humoristisch en het brengt je op ideeën. Nog antiquarisch verkrijgbaar.


Moeder de vrouw en betaald werk

Moeder de vrouw is het thema van de boekenweek, een controversieel thema. Veel wordt geschreven over de combinatie van moeder de vrouw en betaald werk. Want laten we duidelijk zijn: alle moeders zijn werkende vrouwen, echter niet allen worden voor een deel van hun werk betaald. Alleen degenen die een baan buitenshuis hebben, kunnen daarmee ook rechtstreeks geld verdienen. Alle anderen (de thuismoeders) verdienen  indirect geld, doordat hun partner door hen tijd heeft om een volle werkweek betaald te werken. In een serie blogs ga ik in op de betaald werkende moeder de vrouw, gebaseerd op mijn eigen ervaring en op wat ik nu zie bij jonge vrouwen.

Veel vrouwen verwachten ook bij het tweede kind nog net zo goed en zo veel te kunnen werken als toen ze één kind hadden of zelfs helemaal geen kinderen. En dat niet alleen, ze willen ook het moederschap op de best mogelijke manier vormgeven. Vonden vrouwen het aan het begin van de vorige eeuw voldoende als hun kinderen schoon, gevoed en gekleed de straat op gingen, nu stellen werkende moeders zichzelf ook nog de eis om het moederschap veel meer inhoud te geven. De traktatie op school van het jarige kind wordt zelf gemaakt, de avondvierdaagse meegelopen, kinderpartijtjes zijn ware huzarenstukjes. Daarbij willen ze een goed ogende, meelevende partner zijn. Bovendien stellen ze zichzelf de eis dat ze daarbij een relaxte indruk maken, niet die van een afgejakkerde duizendpoot. Ik houd de beschrijving kort, je kent vast wel iemand die deze bovenmenselijke idealen hoog houdt (en ik heb het zelf ook geprobeerd).

Want bovenmenselijk is dit streven. Vaak wordt het perfectionisme genoemd, maar mijns inziens is het meer dan dat: het is een almachtswens. Deze betaald-werkende moeders stellen zich bovenmenselijke macht over hun leven voor.  Zij willen (en proberen) met bovenmenselijke krachten alles onder controle te houden en aan alle idealen (kostverdiener, moeder, partner) tegelijk te voldoen. Het is een vorm van magisch denken. Als je maar alles op alles zet, elke dag weer, dan lukt dit. Bij kinderen kun je dit magisch denken ook zien: moeder kan alles, weet alles en niets is haar teveel.

Misschien denk je dat ik overdrijf. Je doet immers concessies: je partner en jij hebben bijvoorbeeld samen 1,5 betaalde baan. Dan nog betekent het dat jullie met zijn tweeën 2,5 baan uitvoeren: een gezin met twee kinderen en het huishouden is een dagtaak en dan nog wel een inefficiënte dagtaak. Je wordt gestuurd door het levensritme van je kinderen, of dat nu volle luiers en voedingen of schooltijden zijn en het huishouden moet er tussendoor. Als je een kind naar de dagopvang brengt, is een deel van het werk opgevangen, maar het huishouden en alle overige zaken niet.

Een tijd lang is deze almachtswens een krachtige motivator.  Veel jonge moeders houden het een heel aantal jaren vol.  Het is echter roofbouw op jezelf en niet zelden leidt het uiteindelijk tot een breuk in het patroon. Dat kan zijn dat de relatie geen stand houdt, het kan ook een burn-out zijn. Beide geven een enorm gevoel van onmacht, een kaartenhuis dat instort. Alleen een periode van erkennen van de onmacht en herbezinning op de menselijke maat is de start van de genezing.

Is dit een pleidooi om betaald werk op te geven? Geenszins. Het is wel een pleidooi om eerlijk te rekenen: hoeveel werk/tijd/energie is nu eigenlijk echt nodig? Wat kun je opbrengen? Hoeveel steuntroepen/geld heb je? In “Spitsuur van het leven” doe ik daartoe een voorstel.


Vraagverlegenheid

In een eerdere blog[1] kwam ter sprake dat het niet alleen zaliger maar ook makkelijker is hulp te geven dan te erom te vragen. Toch is vragen niet altijd moeilijk. Hoe zit dat precies? Wanneer is vragen moeilijk en wanneer kun je tamelijk makkelijk hulp vragen? In onze groep van Grand Dessert[2], waarover ik eerder schreef, zijn we bij onszelf te rade gegaan om hierin meer inzicht te krijgen. Ieder van ons noemde voorbeelden van situaties of vragen die we lastig vonden. Door de situaties uit te spelen, leerden we wat de “plek der moeite” bij ieder van ons is. Onze inzichten beschrijf ik in deze blog.

“Ik ben geen klusser in huis, dus dat vraag ik aan een goede vriend, die dat wel kan.” Als volwassene is je zelfbeeld wel duidelijk voor je. Je kunt niet alles en daar heb je geen moeite meer mee. Het ontbrekende vragen is dan niet zo moeilijk. Bovendien zit in deze zin verpakt dat je makkelijk vraagt aan “een goede vriend”, aannemende dat hij andersom ook aan jou zal vragen wat jij goed kunt en hij niet. De relatie is in evenwicht, wederkerig.

Het tegenovergestelde blijkt precies de plek der moeite te zijn: vragen wat je volgens je zelfbeeld zelf zou moeten kunnen, vinden we moeilijk. Je kent jezelf als iemand die haar eigen boontjes dopt. Je doet je eigen huishouden, al dan niet met een partner. Als je tijdelijk ziek bent, dan lukt vragen nog wel. Je hoeft je zelfbeeld immers niet aan te passen. Je kunt tijdelijk je huishouden niet doen, maar straks weer wel. Vraagverlegenheid treedt vooral op als je je zelfbeeld moet aanpassen: voortaan ben ik iemand, die niet … (bijv. op een trapje ramen zemen) in haar eigen huishouden kan doen. Vaak zie je dat mensen een omweg zoeken om niet te hoeven vragen: liever vuile ramen dan je buurvrouw vragen deze te lappen.

Als je de tijd hebt, dan lukt het wel om je zelfbeeld aan te passen. Er gaat een – kleiner of groter – rouwproces mee gepaard: ik kan niet meer… en dus moet ik dat vragen. Het lastige van ouder of chronisch ziek worden is, dat je nauwelijks de tijd krijgt voor het rouwproces en de aanpassing van je zelfbeeld: al gauw is er nog iets dat je voortaan niet meer kunt, en nog iets, en nog iets, en de acceptatie ervan kun je niet bijbenen. Je bent dus genoodzaakt vaker die heel moeilijke vraag te stellen: “Kun jij dit voortaan voor mij doen, want ik kan dat – waarschijnlijk – nooit meer.”

Daarmee verandert de relatie met degene aan wie je de vraag stelt. Daar waar je eerst wederkerigheid veronderstelde, wordt die minder vanzelfsprekend. Degene aan wie je dat vraagt, bijvoorbeeld de goede vriend, kan daar ook moeite mee hebben: “Dat kun je toch wel zelf?” Soms veranderen de rollen zelfs helemaal: de moeder wordt afhankelijk van een dochter. Ook bij degene aan wie de vraag gesteld wordt, vindt een (kleiner of groter) rouwproces plaats: je grote sterke, zelfstandige partner/vriendin/moeder is er niet meer.

Dan vragen we liever een professional. Daar is wederkerigheid niet nodig, want de professional wordt beloond met een salaris. Veel liever dan je dochter of je buurvrouw, vraag je een instantie, je verzekering of de overheid om hulp. Dat zouden we wel willen, maar die vlieger gaat niet op: de WMO[3] eist van je dat je eerst je naasten om hulp vraagt voordat je betaalde zorg krijgt.

Dit zijn de inzichten die wij samen opdeden. Zijn ze herkenbaar? Helpt uitgestelde wederkerigheid om die moeilijke vragen toch te stellen? En wat speelt nog meer naar jouw idee bij vraagverlegenheid?

[1] Uitgestelde wederkerigheid, september 2015

[2] De kunst van het ouder worden, april 2016

[3] Wet Maatschappelijke Ondersteuning


Idealen en illusies

Wij, van de tweede feministische golf, wij wilden een flinke stap voorwaarts maken in de ontwikkeling van de maatschappij. Een maatschappij waarin vrouwen en mannen gelijkwaardig zouden zijn. En dat probeerden we vooral ook voor te leven. In de omgang met onze collega’s en in de opvoeding van onze kinderen. Grote idealen, die deels bereikt zijn maar deels ook illusies zijn gebleken.

Mijn beroep, organisatie-adviseur, was eind jaren ‘70 een mannenberoep. Ik had er onderzoek naar gedaan, als afronding van mijn studie: 99% mannen, 1 % vrouwen. Daarmee waren wij vrouwen tokens, eenlingen en uitzondering in onze werkomgeving, met alle voor- en nadelen van dien, die ik twee vorige blogs heb beschreven. [i]

Thuis probeerde ik twee kleine jongens  met minder vooroordelen over mannen en vrouwen groot te brengen. Bij het voorlezen van verhaaltjes van Jip en Janneke, zette ik een kruisje bij alle hoofdstukken waar ik Jip en Janneke verwisselde, want Janneke was altijd bang en bezorgd en Jip altijd moedig en roekeloos. En uiteraard leefden wij voor dat Pappa en Mamma allebei werkten en allebei om en om thuis waren. Naar rato van ons inkomen deelden we onze financiën.

Op de speelzaal waar de oudste naartoe ging, hield de leidster kringgesprekken met de peuters. Op een dag vroeg ze of de kinderen wisten waar de Pappa’s en Mamma’s waren. Ja, dat wisten de kinderen. Die waren naar hun werk. Soms wisten ze zelfs wat voor soort werk dat was. Waarom waren de Pappa’s naar hun werk? Alle kinderen wisten het: “Om geld te verdienen.” En waarom waren de Mamma’s naar hun werk? Grote aarzeling, geen antwoord. Tja, waarom? Eén kind opperde: “Misschien omdat ze het leuk vindt?”

De conclusie was helaas duidelijk: Pappa’s verdienen geld en Mamma’s zijn zich aan het ontplooien. Op voor mij raadselachtige wijze hadden we dat duidelijk gemaakt aan onze peuters. Ik moest er wel om lachen, maar vond het ook om te huilen.

Het bleek dus een illusie, dat je in één generatie een grote verandering kunt bewerkstelligen. Wel kun je streven naar een nieuwe ontwikkeling. Nadat ik dit had geaccepteerd, bleek het ook veel positiefs te brengen: ik was meer ontspannen en realistischer in de opvoeding van mijn kinderen.

Geldt ditzelfde niet ook voor integratie? In één generatie lukt het niet, maar je moet wel in elke generatie blijven streven om vorderingen te maken.

 

 [i]  “Jij bent een uitzondering” en “Gefeliciteerd, jij bent een uitzondering

 

 

 

 

 


C.V.

Een curriculum vitae beschrijft je levensloop. Bij het afsluiten van de periode van betaald werk hoort terugkijken naar de loop van mijn werkzaam leven. Wat valt me op, wat van die levensloop is tegelijk een tijdsbeeld, of een voorbeeld van meer algemene mechanismen? Hoe hangt het kleine verhaal van mij samen met grotere verhalen in de maatschappij? In deze blog begin ik bij het begin: de ambitie om betaald te werken.

Mijn grootmoeder van moederskant was in 1900 klaar met de lagere school. Ze groeide op in een gezin van drie jongens en drie meisjes. De jongens moesten doorleren en de meisjes moesten thuis komen om te helpen in het huishouden. Dat was in die tijd gebruikelijk, een meisje ging immers trouwen.  Dat vond mijn grootmoeder heel erg, ze had heel graag willen doorleren. Dat heeft haar ene dochter vaak moeten horen (haar kleinkinderen ook). Het was dan ook vanzelfsprekend dat haar dochter na de lagere school naar de middelbare school zou gaan.

Mijn moeder deed eindexamen gymnasium ß in de oorlog. Na de oorlog mocht ze gaan studeren. Maar wat? Vele malen heeft ze me verteld dat eigenlijk weg- en waterbouwkunde bij haar zou hebben gepast, maar dat werd niet geschikt geacht voor een meisje. Als meisje ging je immers trouwen. Studeren was een tijdelijke bezigheid tot het huwelijk. Afstuderen en daarna werken deed maar een enkeling. Bovendien werden vrouwen in veel functies (overheid, onderwijs) ontslagen op de dag na hun trouwen. Zo studeerde mijn moeder een jaartje Frans. Wat hebben wij, haar dochters, dat vaak moeten horen: dat gaat jullie niet gebeuren, je gaat werken (en natuurlijk een man en kinderen). Een beroep moet je hebben.

Zo ging ik studeren en ik wist wat ik wilde: een beroep waarmee ik mijn eigen geld kon verdienen èn dat ik interessant vond. En zo mogelijk ook man en kinderen. Zo deed ik wat van me verwacht werd, net als mijn moeder en grootmoeder in hun tijd. Ik was in mijn tijd niet de enige: de tweede feministische golf van de jaren ‘70 begon tegelijk met mijn studie. Wij waren de eerste grote groep hoog opgeleide vrouwen, die aan de weg wilde timmeren, dát was ons vaste voornemen.

Toen ik 28 was had ik bereikt wat mijn moeder had willen bereiken. Een man, een part-time baan en  twee kinderen. Nog beter: een man die ook werkte èn voor de kinderen zorgde. En op dat moment was mijn ambitie vervuld. Ik heb een herinnering van mijzelf aan de keukentafel: wat wil ik nou zelf?  Ik had geen idee.

Alle kinderen worden groot gebracht met ambities en verwachtingen van hun ouders. Of die nu hoog of laag zijn. Of je nu mee kreeg  “je moet worden wat je vader ook was” of “jij moet niet mijn fouten maken”: je wordt op pad gestuurd met wat de Transactionele analyse[i] een levensscript noemt: een voorgeschreven levens-loop. Mijn script ging niet verder dan mijn 28e, zoals het script voor mijn moeder niet verder ging dan het eindexamen. We kunnen de geschiedenis alleen stap voor stap veranderen.

Gelukkig heb ik gevonden wat ik wilde. Ik heb 40 jaren betaald werken vol gemaakt. Meer daarover in een volgende blog.

[i] Koopmans, L. (2012) , Dit ben ik! Worden wie je bent met Transactionele Analyse.


Rite de passage

Elk jaar eind mei hangen overal in Nederland de boekentassen bij de vlaggen; niet alleen een aankondiging van een geslaagd eindexamen, maar symbolisch ook de overgang van schoolkind naar student of werkende.

Elke grote of kleine groep kent zijn eigen rituelen. In een gezin bestaan vaak rituelen rond de verjaardag van een kind: slingers, taart en een partijtje. In de hele wereld hebben we rituelen rond Oud en Nieuw. Veel rituelen hebben de functie van het markeren van de overgang van de ene (oude) situatie naar een andere (nieuwe), de z.g. “rite de passage”.

Een ritueel geeft houvast. Je weet waar je bent in je ontwikkeling en je kunt je makkelijker houden aan de beloften die je daarbij doet. Soms doe je zo’n belofte hardop, ten overstaan van getuigen, zoals een huwelijksbelofte. Soms is zo’n belofte heel impliciet, zoals bij de boekentas. Je belooft als jongere (zonder woorden) dat je veel zelfstandiger zult zijn, je eigen boontjes zult doppen. En als ouders beloof je dat je je kind meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid zult laten.

Rituelen helpen je door moeilijke emoties heen. Overal ter wereld hebben mensen hun eigen rituelen rondom de dood. De enorme emoties die daarmee gepaard gaan, worden door rituelen een beetje in banen geleid. Er is plek om de emoties te uiten, maar wel op een bepaalde manier. In de ene cultuur komen klaagvrouwen hardop huilen, in de andere cultuur wordt door sprekers het leven van de overledene in herinnering gebracht. Onder Nederlanders zijn die rituelen kleiner geworden: ze zijn nu beperkt tot een begrafenis- of herdenkingsbijeenkomst. Vroeger kon je aan de kleding van de naasten zien dat ze nog in de zware rouw en daarna nog een (paar) jaar in de lichte rouw waren. Dan kon je daarmee rekening houden. Hoe lastig het nu is zonder die rituelen, kun je merken aan de veel vóorkomende onhandigheid van omstanders in de omgang met rouwenden.

Rituelen veranderen als de maatschappij verandert. Tot voor kort brachten de meeste mensen hun hele carrière in loondienst door, soms wel 40 jaar bij dezelfde werkgever. Pensioen en AOW kwamen steevast in de maand dat je 65 werd. Het ritueel was een receptie met een cadeau en een toespraak van de baas. Tegenwoordig zijn de verbindingen veel korter en vaak ook free-lance. Bovendien is de pensioenleeftijd niet meer vast bij 65 jaar. Wanneer en hoe ga je als free-lancer dan met pensioen? Of ga je maar door totdat je geen opdrachten meer krijgt?

De kracht van een ritueel ligt in de voorspelbaarheid van de vorm en het gebruik van symbolen. Als je dat weet, kun je binnen je eigen groep zelf nieuwe rituelen maken. Als je gebruik maakt van symbolen die al bestaan en je maakt de vorm voorspelbaar door die aan te kondigen, dan kun je je eigen ritueel maken.

Precies dat ben ik  dan ook van plan. Per 1 december 2016 stuur ik mezelf met pensioen en ik verheug me nu al op het ritueel dat ik ervoor heb bedacht.


De voetangels en klemmen van een cadeau

Veel vaker dan vroeger ga ik nu om met mensen uit een andere, niet-westerse, cultuur. Dat veroorzaakt soms pijnlijke misverstanden omdat de ene cultuur nu eenmaal verschilt van de andere. Zo heb ik een logé geen cadeau gegeven bij vertrek, omdat dat bij ons niet de gewoonte is, waarmee ik in haar cultuur de boodschap heb gegeven, dat ik haar liever niet meer wilde zien, hetgeen uiteraard helemaal niet mijn bedoeling was. Door deze gebeurtenis ben ik gaan nadenken hoe ingewikkeld onze gewoonten zijn rondom cadeaus. In deze blog vertel ik hoe ik denk dat het werkt. Een cadeau is een impliciete boodschap om de relatie tussen gever en ontvanger te definiëren, te bevestigen en/of te herstellen.

We weten bij welke gelegenheden we een cadeau moeten geven. Huwelijk, geboorte, afstuderen: de mijlpalen in het leven zijn aanleiding voor een cadeau.
Een verjaardag is een gelegenheid om een cadeau te geven, althans als je bent uitgenodigd. We vinden i.h.a. dat mensen zelf mogen weten of ze hun verjaardag vieren of niet en met wie. Worden we niet uitgenodigd, dan geven we geen cadeau; we sturen wellicht een kaart of een e-mail of helemaal niets. In sommige families echter hoor je altijd op alle verjaardagen aanwezig te zijn en dus ook een cadeau mee te brengen. Bij kroongetallen (18, een tiental, 65) geven we soms een duurder cadeau dan bij zomaar een getal (16, 43).

We zorgen ervoor dat de relatie evenwichtig blijft. Een cadeau mag niet te groot en niet te klein zijn, dat wil zeggen niet te duur of te goedkoop. Soms betekent evenwichtig: we dienen elkaar ongeveer hetzelfde te geven. Als je te eten bent gevraagd bij een vriend, breng je een bos bloemen of een fles wijn mee maar geen duur boek. Dat zou hem in verlegenheid brengen en hij zou zich verplicht kunnen voelen dat terug te doen als hij bij jou komt eten.

Bij een verjaarscadeau is dat weer anders. Evenwicht tussen ouders en kinderen is niet een financiële gelijkheid. Ouders geven hun kinderen vaak duurdere cadeaus. Het heeft te maken met hoe na we elkaar zijn maar ook met financiële draagkracht: van het kind wordt geen duur cadeau terug verwacht. Vrienden onderling letten wel weer op het financiële evenwicht. We gaan soms zelfs zo ver, dat als een cadeau er te duur uitziet, we ons haasten toe te lichten dat het niet zoveel heeft gekost. Te goedkoop is echter ook niet goed.

We houden rekening met wat de ontvanger graag krijgt. We vragen de jarige naar een verlanglijst, of we bedenken zelf wat de ontvanger wil hebben. Dat vergroot de waarde van het cadeau minstens zozeer als de prijs ervan. Wie stad en land heeft afgezocht voor net dat ene ding dat iemand graag wil hebben, geeft een cadeau de betekenis “wij zijn elkaar zeer na, dat zie je daaraan, dat ik weet wat je graag wilt en de moeite doe om dat te verkrijgen”. Een cadeau dat aan dat criterium voldoet kan soms zelfs tweedehands zijn.

We weten het juiste moment waarop je het cadeau geeft en uitpakt. In mijn naaste omgeving geef je een cadeau tamelijk direct na binnenkomst en de ontvanger pakt het direct uit. Maar dat is niet overal zo. Op een kinderpartijtje wordt soms een moment gekozen om alle cadeaus na elkaar te geven en zo aandacht te creëren voor wat de vriendjes hebben meegebracht. En in sommige streken word je geacht eerst een gesprek te voeren en dan pas, min of meer terloops, het cadeau tevoorschijn te halen.

Vaak wordt gezegd dat wij in Nederland zo duidelijk en direct zijn. Niet dus, waar het cadeaus betreft. Het is een heel ingewikkeld spel en ik kan me voorstellen dat het voor nieuwkomers lastig is om erachter te komen hoe het werkt. Klopt mijn beschrijving met jouw opvattingen en ervaringen?


De kunst van het ouder worden

Er zijn van die perioden in je leven dat je van de ene fase naar de andere toegroeit. In een eerdere blog heb ik de overgang van student naar zelfstandige beroepskracht besproken. In deze blog gaat het over de overgang van de fase van betaald-werken naar wat wel de derde levensfase wordt genoemd: niet-meer-betaald-werken en steeds ouder worden.

Als het lukt je levenskunst te handhaven of te vinden in de derde levensfase, dan kan deze het ”grand dessert” van je leven worden. Dat is echt een kunst, want op veel gebieden moet je jezelf opnieuw uitvinden. Wat doe je de hele dag? Waar geef je je energie aan, waaraan niet meer? Wat is de zin van het leven in deze fase? Hoe ga je om met de ongemakken van je ouder wordend lichaam? Dit zijn voorbeelden van thema’s die spelen.

Bij de overgang van de ene fase naar de andere kan een konvooi plezierig en behulpzaam zijn. Een konvooi is een groep mensen, die met je meevaart op de stroom van het leven, zoals koopvaardijschepen samen met elkaar varen ter onderlinge bescherming. Het begrip komt van de ontwikkelingspsycholoog Erikson, die de sociale ontwikkeling van baby tot bejaarde beschreef. In elke levensfase heb je zo’n konvooi nodig. Dat kan een vaste groep mensen zijn (familie of vrienden) maar ook een groep die je voor de gelegenheid creëert.

Grand Dessert is zo’n tijdelijk konvooi. Een groep mensen (maximaal 12) komt een aantal keren bijeen. Met elkaar bepalen ze de thema’s die aan de orde zullen komen en iedereen verbindt zich om één of meer thema’s uit te werken tot een bijeenkomst. Vervolgens worden die bijeenkomsten gehouden. De eerste groep Grand Dessert heeft zo acht bijeenkomsten met elkaar gehouden met zeer uiteenlopende vorm en inhoud. Dat komt doordat alle deelnemers hun eigen talenten en ervaringen inbrengen bij het vorm en inhoud geven aan een thema. Soms organiseert iemand een thema alleen, soms vindt een subgroep elkaar bij de voorbereiding.

Met of zonder begeleiding? De eerste groep Grand Dessert, die is ontstaan op initiatief van de Stichting Bij de Tijd, heeft gebruik gemaakt van een externe begeleider. Nu we in die eerste versie de werkende principes met elkaar hebben ontdekt, gaan sommigen van ons verder met nieuwe groepen. Dan werken we niet als extern begeleider, maar als deelnemer-met-ervaring. Meedoen met Grand Dessert maakt iedereen wijzer.

Wil je meer weten over Grand Dessert, meedoen of er zelf één opzetten? Kijk dan hier voor meer informatie.


Spitsuur van het leven: waar zijn je grenzen?

In een vorige blog heb ik geschreven hoe je de druk(te) kunt verminderen als het je teveel wordt. Maar voorkómen is natuurlijk beter dan genezen. Hoe weet je hoeveel je aan kunt? Veel mensen weten dat onvoldoende, want ook onder twintigers en dertigers komen burn-outs (te) veel voor.

Eerst lijk je alles aan te kunnen wat op je pad komt. Je hoeft geen nee te zeggen, dus zeg je ja. Zolang je geen vaste bindingen hebt èn jong bent, gaat dat goed. Immers je kunt snel bijsturen, afzeggen, verplaatsen naar je uitkomt.

In de loop van je leven neem je steeds meer verantwoordelijkheden op je die elke maand een hoeveelheid tijd en energie vragen. Het meest voorkomende rijtje is werk, een partner, een gezin. Het grootste gevaar van overbelasting zit wellicht in de combinatie gezin en eigen bedrijf. Immers het lijkt of je je bedrijfje wel makkelijk kunt regelen en plooien, want je bent immers eigen baas en je zit niet vast aan vaste arbeidstijden. Maar als je je klanten niet snel en goed bedient, dan raak je ze kwijt. Dus het is meer zo, dat je altijd klaar moet staan, altijd tijd vrij moet kunnen maken.

Ongemerkt gebruik je de nacht als uitwijkmogelijkheid. Menigeen creëert zo de noodzakelijke rek in de tijd. Het lijkt een teken dat het goed gaat met je bedrijf en de kinderen lijden er niet onder.

Een burn-out dreigt als je je grenzen te lang overschrijdt. Hoge werkdruk in hoeveelheid werk is niet de enige factor die kan leiden tot burn-out. Stress in allerlei vormen (bijv. onzekerheid over je werk, hoge eisen die aan je gesteld worden, verhuizen, ruzie) vormt eveneens een risico. Hoe meer spanning, des te meer tijd heb je nodig om te herstellen. Dus toch weer: tijd.

Hoe kun je je grenzen bewaken? Mijn ervaring is dat een begroting maken van tijd kan helpen. Maak een lijst van alle taken die je nu op je genomen hebt en schat in hoeveel tijd die in de komende 3 maanden van je zullen vergen. Niet alleen werk, ook privé: hobbies, kinderen, huishouden, familie(verplichtingen), vrienden, alles vertaal je (globaal) in tijd. En je voegt een post toe: onvoorzien. Deze is voor griep, iets leuks dat langs komt, iemand die jou nodig heeft. Het is hetzelfde als een offerte maken voor een klant: hoeveel tijd zul je daaraan besteden? Maar nu beschouw je je hele leven als één grote opdracht met allerlei onderdelen. Tel alle tijd op.

De eerste vraag is: past het totaal in drie maanden? Daarbij kun je ervan uitgaan dat je van de 24 uur er 16 kunt gebruiken èn dat je per dag zeker een uur lege tijd nodig hebt.  De tweede vraag is: bevalt de verdeling van de tijd je? Vind je dat de verhouding van de onderdelen goed is? Wat heeft meer tijd nodig, wat kun je wel missen?

En dan begint het echte werk: maak je begroting realistisch en naar je zin, bespreek met voor jou belangrijke mensen alles wat jouw begroting beïnvloedt. Neemt je partner genoegen met de twee uren per week die je hebt begroot? Je zult merken dat je dan besluiten moet nemen wat werkelijk belangrijk is voor je. Daarna leef je een tijd verder en kijkt eens terug. Klopte je inschatting? Bevalt het? Wat wil je bijstellen?

Natuurlijk hoef je niet volgens strakke tijdsplanningen te gaan leven. Als je af en toe zo’n begroting maakt, krijg je gevoel voor je grenzen en dan weet je, als er een vraag op je afkomt, of je dat er nog bij kunt hebben of niet.


Licht reizen als je ouder wordt.

De vakantie is achter de rug. Hoe heb je gereisd? Met een auto vol spullen, met grote koffers in het vliegtuig, of juist met één rugzak? Licht reizen gaat wat mij betreft niet alleen over vakantie, het is een metafoor voor de wijze waarop je met het ouder worden kunt leven. In het midden van je (werkzame) leven reis je zwaar bepakt: je bent allerlei verplichtingen aangegaan, je moet zoveel werk doen dat je nu maar ook in de toekomst een inkomen verdient, je hebt de zorg voor de volgende generatie en soms ook voor de vorige. Maar als je ouder wordt, dan is het welkom om te proberen zo licht mogelijk te reizen. Hier geef ik enkele voorbeelden hoe ik dat lichte reizen zie. Het gaat veel meer over hoe je je leven inricht, dan over wat je precies doet.

Zo veel of weinig betaald werk als financieel mogelijk is. Nu we steeds langer door moeten werken voordat we met pensioen kunnen gaan, is het des te meer wenselijk om je af te vragen hoe je de jaren boven de zestig inricht. In hetzelfde tempo doorwerken is vaak in strijd met wat je lichaam je vertelt over wat je aan kunt. Door je financiën goed onder de loep te nemen, kun je je loopbaan afstemmen op je levensfase. Voor mij betekent het dat ik afscheid heb genomen van de maatschap waar ik mede verantwoordelijk voor was en dat ik mijn part-time baan heb losgelaten om als zzp’er verder te gaan.

Ruimte voor onverwachte gebeurtenissen. Menig gepensioneerde neemt ogenblikkelijk net zoveel onbetaalde verplichtingen op zich als hij eerst betaalde had. Licht reizen betekent dat je flexibele verplichtingen op je neemt, waardoor je ruimte krijgt voor al wat onverwacht op je pad komt (leuke dingen en moeilijkheden). Er is tegenwoordig veel vrijwilligerswerk waar je duidelijk afgebakende afspraken kunt maken (bijv. drie weken iets doen i.p.v. met regelmaat). Ook in je privé afspraken kun je die flexibiliteit inbouwen (kijk de kunst af van jongeren die pop-up-bijeenkomsten heel gewoon vinden). Geen vaste-oppas-oma zijn maar oproep-oppas-oma, naar een sociëteit gaan waar je elke maand naar toe kunt – maar niet hoeft, een cursus volgen van 6 weken.

Ruim af en toe flink op.  Dit is een tip die niet alleen op oudere leeftijd van belang is. Al je spullen eens door je handen laten gaan, wegdoen wat je niet meer of niet vaak nodig hebt. Het aardige is dat je hiermee aansluit bij een maatschappelijke ontwikkeling waar het gebruik van dingen in de plaats komt van het bezit ervan (bijv. peerby). Het maakt niet alleen meer ruimte in je kasten maar ook in je hoofd.

Zorg voor je konvooi.  Je hele leven heb je een konvooi nodig, mensen die met je meereizen in voor- en tegenspoed. Vergelijkbaar met backpackers die onderweg plezier met elkaar hebben maar ook elkaar helpen. Zeker bij het ouder worden is het belangrijk die mensen die al lang met je meereizen in ere te houden. Minstens zo belangrijk is het om nieuwe mensen, van verschillende generaties, erbij  te leren kennen. Door in je fitte periode als oudere goede contacten te leggen en te onderhouden, verkrijg je steun op je oude dag. De stadsdorpen in Amsterdam zijn een voorbeeld van een nieuwe vorm van konvooi.

Licht reizen ben ik aan het leren. Licht reizen gaat om de tocht en niet om de bestemming.