Tag Archives: etiquette

De voetangels en klemmen van een cadeau

Veel vaker dan vroeger ga ik nu om met mensen uit een andere, niet-westerse, cultuur. Dat veroorzaakt soms pijnlijke misverstanden omdat de ene cultuur nu eenmaal verschilt van de andere. Zo heb ik een logé geen cadeau gegeven bij vertrek, omdat dat bij ons niet de gewoonte is, waarmee ik in haar cultuur de boodschap heb gegeven, dat ik haar liever niet meer wilde zien, hetgeen uiteraard helemaal niet mijn bedoeling was. Door deze gebeurtenis ben ik gaan nadenken hoe ingewikkeld onze gewoonten zijn rondom cadeaus. In deze blog vertel ik hoe ik denk dat het werkt. Een cadeau is een impliciete boodschap om de relatie tussen gever en ontvanger te definiëren, te bevestigen en/of te herstellen.

We weten bij welke gelegenheden we een cadeau moeten geven. Huwelijk, geboorte, afstuderen: de mijlpalen in het leven zijn aanleiding voor een cadeau.
Een verjaardag is een gelegenheid om een cadeau te geven, althans als je bent uitgenodigd. We vinden i.h.a. dat mensen zelf mogen weten of ze hun verjaardag vieren of niet en met wie. Worden we niet uitgenodigd, dan geven we geen cadeau; we sturen wellicht een kaart of een e-mail of helemaal niets. In sommige families echter hoor je altijd op alle verjaardagen aanwezig te zijn en dus ook een cadeau mee te brengen. Bij kroongetallen (18, een tiental, 65) geven we soms een duurder cadeau dan bij zomaar een getal (16, 43).

We zorgen ervoor dat de relatie evenwichtig blijft. Een cadeau mag niet te groot en niet te klein zijn, dat wil zeggen niet te duur of te goedkoop. Soms betekent evenwichtig: we dienen elkaar ongeveer hetzelfde te geven. Als je te eten bent gevraagd bij een vriend, breng je een bos bloemen of een fles wijn mee maar geen duur boek. Dat zou hem in verlegenheid brengen en hij zou zich verplicht kunnen voelen dat terug te doen als hij bij jou komt eten.

Bij een verjaarscadeau is dat weer anders. Evenwicht tussen ouders en kinderen is niet een financiële gelijkheid. Ouders geven hun kinderen vaak duurdere cadeaus. Het heeft te maken met hoe na we elkaar zijn maar ook met financiële draagkracht: van het kind wordt geen duur cadeau terug verwacht. Vrienden onderling letten wel weer op het financiële evenwicht. We gaan soms zelfs zo ver, dat als een cadeau er te duur uitziet, we ons haasten toe te lichten dat het niet zoveel heeft gekost. Te goedkoop is echter ook niet goed.

We houden rekening met wat de ontvanger graag krijgt. We vragen de jarige naar een verlanglijst, of we bedenken zelf wat de ontvanger wil hebben. Dat vergroot de waarde van het cadeau minstens zozeer als de prijs ervan. Wie stad en land heeft afgezocht voor net dat ene ding dat iemand graag wil hebben, geeft een cadeau de betekenis “wij zijn elkaar zeer na, dat zie je daaraan, dat ik weet wat je graag wilt en de moeite doe om dat te verkrijgen”. Een cadeau dat aan dat criterium voldoet kan soms zelfs tweedehands zijn.

We weten het juiste moment waarop je het cadeau geeft en uitpakt. In mijn naaste omgeving geef je een cadeau tamelijk direct na binnenkomst en de ontvanger pakt het direct uit. Maar dat is niet overal zo. Op een kinderpartijtje wordt soms een moment gekozen om alle cadeaus na elkaar te geven en zo aandacht te creëren voor wat de vriendjes hebben meegebracht. En in sommige streken word je geacht eerst een gesprek te voeren en dan pas, min of meer terloops, het cadeau tevoorschijn te halen.

Vaak wordt gezegd dat wij in Nederland zo duidelijk en direct zijn. Niet dus, waar het cadeaus betreft. Het is een heel ingewikkeld spel en ik kan me voorstellen dat het voor nieuwkomers lastig is om erachter te komen hoe het werkt. Klopt mijn beschrijving met jouw opvattingen en ervaringen?


Soort zoekt soort …. tot het niet meer kan

Zeg mij wie uw vrienden zijn en ik zal u zeggen wie u bent. Ook in het tijdperk van netwerken gaat deze oude spreuk op. Vriendengroepen bestaan uit mensen die iets met elkaar gemeen hebben. De spreuk geldt ook voor onszelf: door onze vriendenkring weten we  wie we zijn, het voelt vertrouwd, beschermd.

Wij kiezen onze vrienden en kennissen. Door de grote mobiliteit die al een eeuw lang mogelijk is, zoeken  we vrienden niet meer alleen in onze eigen buurt of dorp. We kiezen, bewust of onbewust, mensen uit die dezelfde waarden, voorkeuren en interesses hebben. Liever fietsen of rijden we een eind, dan dat we vrienden zijn met hen, die te zeer van ons verschillen. Als je je eigen vriendenkring bekijkt, dan kun je zien dat deze bewering klopt.

In sociologische terminologie spreken we van leefstijlen. Je kunt ze ook zelf herkennen – om enkele uitersten te noemen: bij politiek links  en hoog opgeleid hoort de Volkskrant, de Groene Amsterdammer, klassieke concerten, pro multi-culti, duurzaam, bepaalde kleding. Bij politiek rechts en laag opgeleid hoort De Telegraaf (of helemaal geen krant), bingo, André Hazes en (luidruchtige) gezelligheid. Natuurlijk ga je in het maatschappelijk leven ook met mensen van andere leefstijlen om, maar soort zoekt soort in de vrije tijd. Je konvooi in het leven bestaat uit mensen van jouw leefstijl.

Het probleem begint als je (oud en) niet meer gezond bent. De nieuwe wetgeving omtrent gezondheidszorg verplicht ons om zo lang mogelijk thuis te blijven, ook als we daardoor vereenzamen doordat we onze vrienden niet meer kunnen opzoeken. En nog erger wordt het als we definitief in een verpleeghuis moeten worden opgenomen.

De dood schakelt ons allen gelijk en het verpleeghuis begint vast. Want in het verpleeghuis, waar sommigen de laatste jaren van hun leven moeten wonen, ordent men mensen naar de diagnose waarmee ze zijn opgenomen: CVA, dementie, somatisch. Bovendien kom je in dat huis terecht waar het eerst een plaats is, dus op volgorde van de wachtlijst i.p.v. naar keuze. Geen ruimte meer voor de eigen leefstijl. Het feit dat een verpleeghuis voor veel mensen een schrikbeeld is, wordt voor een groot deel veroorzaakt door het feit dat je met mensen van allerlei leefstijlen moet samenwonen in een omgeving die niet op je woning lijkt. Je kunt niet meer kiezen met wie je dagelijks omgaat in de vele vrije tijd die je hebt.

Mensen met een vorm van dementie gaan sneller achteruit doordat ze niets meer herkennen. Zeg me wie mijn vrienden zijn, en ik herken mezelf. Als er mensen om me heen zijn van mijn leefstijl, met dezelfde krant als ik altijd lees, die houden van de spellen die ik altijd speelde, en van dezelfde muziek, als er meubels staan als bij mij thuis, dan weet ik langer wie ik ook al weer ben.

Toch is wonen met behoud van leefstijl – gelukkig –  hier en daar wel mogelijk. Er zijn verpleeghuizen waar men mensen samen laat wonen naar leefstijl. Het mooiste voorbeeld dat ik ken is Hogeweyk in Weesp.

In de verpleeghuiszorg zou meer aandacht voor leefstijlen moeten zijn. Ook met eenvoudige maatregelen kunnen leefstijlgroepen gemaakt worden.

 


Waarom volwassenen Sinterklaas (moeten) blijven vieren

Heb je stekelige gedichten geschreven of ontvangen met Sinterklaas? Heeft iemand je op grappige wijze de waarheid verteld over je slechte gewoonte? Waarom doen we dat eigenlijk, zo’n feest dat gezellig en overdadig zou moeten zijn, voorzien van  plagerijen met een serieuze ondertoon?

Hoewel we in Nederland bekend staan om onze directe communicatie, zeggen we toch veel niet. Dat geldt privé maar zeker ook voor de werkomgeving. Beleefde omgangsvormen en een prettige onderlinge (werk)sfeer zijn niet gebaat bij openlijke kritiek op elkaar.Ik heb al veel teamdagen meegemaakt waar de teamleden concluderen dat ze elkaar meer moeten aanspreken op ongewenst gedrag. Maar dat gebeurt vervolgens toch niet. Thuis hou je je in “om de lieve vrede te bewaren”.

Altijd maar je inhouden, ook als je je ergert, dat creëert een risico van oplopende spanning en  ontploffing. Op een gegeven moment is de maat vol, gooit iemand zijn ergernis voluit naar de ander en later blijkt het middel erger dan de kwaal: het ergerlijke gedrag houdt wel op maar de relatie is verziekt.

Zo’n anoniem gedicht, wat plagerig maar toch een beetje serieus, neemt de spanning weg. In de sociologie heet dat een “Ventilsitte” , een gebruik dat werkt als uitlaatklep. Zo’n gebruik kan een lange historie hebben, maar je kunt zo’n gebruik ook zelf maken in een situatie die uit de hand zou kunnen lopen. Bijvoorbeeld bij een reorganisatie in een bedrijf, waar echt anders gewerkt moet worden, kun je een uitlaatklep maken’door een bijeenkomst met een “klachtenmuur” en een “ideeënmuur”.

Het Sinterklaasjournaal is dit jaar een moderne uitlaatklep geworden voor de reorganisatie van het Pietendom. De verhaallijn die ze hebben gemaakt, kijkt met ironie maar met een serieuze ondertoon naar de heftige discussies rondom Piet, pensioen en meer. Hopelijk is deze uitlaatklep nog net op tijd en loopt de spanning niet op tot een ontploffing. Want na stoom afblazen kan de boot weer verder varen in een veranderende versie.

Hou het erin, zo’n Ventilsitte, waar je om kunt lachen maar toch even over nadenkt. Daarna kun je weer goed met elkaar omgaan. Net op tijd voor de andere feesten van december die in het teken staan van vrede en van afscheid nemen van het verleden en het begin van een nieuw jaar. De beste wensen voor de feestdagen en het nieuwe jaar!


Ben jij u?

Net afgestudeerd, tijdens je sollicitatiegesprek of in je eerste baan, kom je tegenover iemand van 60 te staan. Zij stelt zich voor als “ Els van de Berg”. Jij zegt jouw voor- en achternaam. Wat betekent dat? Ga je elkaar tutoyeren?

Vroeger was het duidelijk wanneer je elkaar tutoyeerde op het werk. Tot ongeveer 1970 spraken alle volwassen collega’s elkaar aan met u. Als je ging werken na je studie, dan werd je vanzelf meneer of mevrouw (of juffrouw als je ongetrouwd was!) en u. De enige manier waarop dat kon veranderen was: de oudere stelde voor dat je elkaar ging tutoyeren en de jongere aanvaardde dat. Er was één wonderlijke tussenvorm: mannen spraken elkaar wel aan met alleen de achternaam en jij. Dus: “Pietersen, wat vind jij…” Voor vrouwen bestond een dergelijke tussenvorm niet.

Toen mensen die nu rond de 60 zijn, jouw leeftijd hadden, begonnen de gewoonten drastisch te veranderen. Op de universiteiten begon iedereen elkaar met de voornaam en jij/jou aan te spreken, alleen hoogleraren konden zelf nog kiezen hoe ze het wilden hebben. Er was dus nog enig hiërarchisch verschil in aanspreekvormen. Buiten de universiteiten werd het steeds onduidelijker.

Sinds 1980 weet niemand meer precies hoe het hoort. De gewoonten begonnen te verschillen per sector  en geografisch. In de Randstad en andere overwegend seculiere gebieden wordt sneller getutoyeerd dan in landelijke, overwegend christelijke gebieden. In het welzijnswerk en het onderwijs wordt door medewerkers onderling en met leidinggevenden alleen maar getutoyeerd, in banken en advocatuur begint men veelal met ‘u’. In de ouderenzorg zie je dat personeel elkaar onderling tutoyeert, maar de cliënten met “u” aanspreekt. Dat is juist formeler geworden, want voor 1980 kwam het voor – toen cliënten nog patiënten waren – dat in een Amsterdams verzorgingshuis een oudere zo werd aangesproken:  “Goeiemorgen  Ome Joop, nou ga ik je eens lekker wassen.”  Toch kun je niet zeggen dat klanten tegenwoordig  altijd met u worden aangesproken: bij de autodealer wel, maar bij de kassa van de supermarkt bij mij om de hoek wordt elke klant met jij aangesproken.  Er is geen algemene regel meer.

Regels voor sociaal contact zijn bedoeld om iedereen op zijn gemak te stellen en respect te tonen. Een eerste contact is per definitie onzeker, je weet immers niet wat je aan elkaar hebt. Duidelijke omgangsvormen beperken die onzekerheid enigszins. Bij gebrek aan regels, kunnen we het doel ervan als leidraad gebruiken hoe we ons dan moeten gedragen.

Terug naar Els van de Berg en jou. Is Els op haar gemak als je jij of als je u zegt? Je hebt geen idee. Zo lang je het niet weet, kun je haar maar beter met u aanspreken. Zij kan, als ze wil, zeggen: “Wat mij betreft ben ik Els hoor”. Je zult verbaasd staan hoeveel ouderen dat niet doen en zich lang u laten zeggen.  Stel ze vraagt je wèl om te tutoyeren, hoe voel jij je dan? Voel je je ongemakkelijk als je een oudere direct tutoyeert? Dan is het lastig. Els had dat een beetje moeten aanvoelen en met jou rekening moeten houden. Maar àls ze het voorstelt, ga er dan op in en doe het, als je kunt.  Ze biedt je aan om op gelijke voet, als collega’s, met elkaar om te gaan. Daar kom je toch voor?