Category Archives: nabuurschap

Een goede buur is beter dan een verre vriend

In mijn tienerjaren beschouwde ik buren vooral als sociale controle. In de provinciestad waar ik woonde, wist iedereen in de buurt erg veel van elkaar en men vond er ook van alles van. Gelukkig was er geen universiteit in deze stad, dus ik vertrok opgewekt naar Amsterdam, waar ik genoot van de anonimiteit. Wie mijn buren waren, wist ik niet of nauwelijks en dat was precies wat ik wilde.

Heerlijk om mijn vrienden te kunnen kiezen. Waar ze woonden, om de hoek of aan de andere kant van de stad, was onbelangrijk. Als ze verhuisden, dan zochten we elkaar op. Met de komst van internet werden de mogelijkheden voor contact op afstand groter. Met Skype of FaceTime kun je gesprekken voeren alsof je bij elkaar thuis bent. Ook de gezinsleden verspreidden zich over heel Nederland. De band bleef even goed.

Maar nu denk ik daar anders over.  De verzorgingsstaat is drastisch verminderd. Er wordt geëist dat de omgeving voor je zorgt tot het einde. Allereerst wordt gekeken naar familie, ongeacht waar ze wonen. Ik merk dat bij de zorg rondom mijn oude moeder. Wij kinderen reizen van alle kanten uit Nederland naar haar toe. Inmiddels is ze zo geestelijk en lichamelijk achteruit gegaan dat ze recht heeft op een van de schaarse plekken van verzorgd wonen. Maar waar niet is, verliest de keizer zijn recht. Verder dan een wachtlijst is ze nog niet gekomen. Lichamelijke zorg is wel verzekerd via de WLZ, maar alle overige hand- en spandiensten (opruimen, boodschappen, even ergens naartoe gaan) niet.

Buren zouden veel makkelijker de dagelijkse hand- en spandiensten kunnen verrichten. Dan kunnen familieleden en vrienden op bezoek komen, gewoon voor de gezelligheid maar natuurlijk ook om mee te helpen, bijvoorbeeld met administratie of het regelen van de formele zorg (hetgeen een tijdrovende taak is – weet ik nu). Maar ja, dan moet je je buren niet alleen van gezicht kennen, maar ook een zodanige band hebben opgebouwd dat je bereid bent met zijn allen naar elkaar om te zien. Dus dat komt eerst: een band opbouwen met buren van allerlei leeftijden.

Met dit beeld voor ogen worden in Amsterdam stadsdorpen gecreëerd. Dorpen in de stad. Op www.stadsdorpenamsterdam.nl kun je ze allemaal vinden. De stadsdorpen verschillen naar de aard van de buurt, maar overal vinden de deelnemers dat hun buurt gezelliger is geworden en dat ze daardoor gemakkelijker elkaar een handje zullen toesteken als dat nodig is.

De uitdaging is om een dorp te creëren met modern nabuurschap, maar te veel sociale controle te vermijden.


Applaus voor wie meedoet!

In 27 buurten van Amsterdam creëren de bewoners een stadsdorp. Het woord zegt het al: een dorp in de stad. We creëren cohesie in de buurt door leuke dingen met elkaar te doen, en zo ontstaat een basis om elkaar te ondersteunen als de nood aan de man of vrouw is. Zie ook mijn blog Stadsdorpen in Amsterdam. Bij mij in de buurt is het stadsdorp VondelHelmers.

We bestaan nu vijf jaar en het stadsdorp leeft. Een stadsdorp wordt veelal gedragen door fitte 60-plussers. Zij organiseren de bijeenkomsten, activiteiten en ontmoetingen en al doende leren mensen elkaar kennen. Het is heel begrijpelijk dat juist de 60-plussers – onder wie ikzelf – de organisatie op zich nemen. Zij hebben de tijd en zin om dat te doen. Jongeren hebben het veel te druk, 80-plussers hebben vaak al een dagtaak aan zichzelf. Het werkt! We hebben dat gevierd met een buurtfeest.

Terugkijkend op die vijf jaren, zie ik hoe het organiseren het minst belangrijke deel van het verhaal is. Je kunt nog zoveel organiseren, als er geen mensen meedoen, is er niets. Geen beweging, geen stadsdorp. Het is immers geen bedrijf, waar je met het arbeidscontract in de hand mensen tot meedoen kunt brengen. Voor het welslagen van een beweging, een dorp, een (burger)initiatief zijn de deelnemers het belangrijkst. Mooi woord ook: deel-nemer.

Applaus voor de deelnemer! Je hoeft echt niet naar elke bijeenkomst te komen.  Door je in te schrijven als deelnemer, af en toe te komen of te laten weten dat je prijs stelt op het stadsdorp (of een ander initiatief) – daardoor groeit en leeft het.

Is dit een open deur? Ja, natuurlijk, zul je zeggen. Maar toch gaan de dankwoorden naar de organisatoren of naar de muzikanten op het feest. Ook heel belangrijk en noodzakelijk, maar in deze blog gaat het mij om het belang van deelnemers. Daar wordt m.i. te weinig bewust aandacht aan geschonken, juist ook door die deelnemers zelf.

Maar nu wel! Ben je deelnemer bij een stadsdorp (of bij een ander initiatief)? Geef jezelf een schouderklop: je bent de belangrijkste schakel van de keten.


(On-) voltooid leven

Dichtbij mij, mijn dierbare naaste, is een oude vrouw. Tot haar 90e jaar had ze voldoende plezier in haar leven, ook al waren haar man en vele vrienden haar ontvallen. Ze maakte er wat van en gebruikte haar vrijheid, onder andere door overal naartoe te rijden in haar auto.  Toen overkwam haar een ernstige, zeer pijnlijke ziekte, die echter wel te genezen was. Nu is ze een fragiel vrouwtje achter een rollator, de auto is haar “afgepakt”, ze is erg vergeetachtig maar niet dement, hardhorend. Veel bewegingen doen haar pijn. Geen van haar kwalen is levensbedreigend. Ze woont – overeenkomstig  het huidige beleid – thuis met thuiszorg; kinderen en kennissen kijken naar haar om. Pijnstilling lukt niet helemaal. Ze vindt er niets meer aan, ze wil (ook wel eens) dood, maar dat mag  onder de huidige wet niet en dus gaat ze door.

De politiek is zeer geïnteresseerd in kwetsbare ouderen.  Er wordt veel geld besteed aan beleid, commissies en  onderzoeken. Gemeenten doen huisbezoeken om eenzamen te vinden. Veel ziekenhuizen openen op de Eerste Hulp  een specifieke afdeling voor ouderen. Het Openbaar Ministerie onderzoekt euthanasie gevallen. Alles om dit ‘probleem’ verantwoord op te lossen, maar wel zo goedkoop mogelijk.

Het ene kamp vindt dat mevrouw haar zin mag hebben. Ze noemen het voltooid leven. Ouderen in dit kamp voeren actie voor het recht om je leven te laten beeïndigen en sommige partijen (D66) willen zich inzetten voor een wetsvoorstel “voltooid leven” waarbij iedereen boven de 75 zelf mag beslissen. Mijn dierbare naaste verwoordt het zelf zo: “Ik ben over de 90, ik wil niet meer, er is overbevolking, waarom mag dit niet?”  De ‘oplossing’ wordt hier gezocht in het hiernamaals, of je nu gelooft dat daar niets of iets is.

Direct doemen er ethische vragen op: wanneer mag dit, hoe oud is oud genoeg, wanneer is voltooid echt voltooid?  Mag iemand toch nog af en toe genieten of helemaal nooit? Van wie mag je vragen om iemand op verzoek te doden? Of moet zelfbeschikking samengaan met zelf doen?

Het andere kamp vindt dat God of menselijkheid gebiedt om een leven nooit voltooid te achten: de ‘oplossing’ zit in betere omstandigheden.  Als het leven maar prettig genoeg wordt gemaakt, dan krijgt mevrouw er wel weer zin in. Dus vrijwilligers worden geworven, die allemaal af ten toe langs gaan, eenzaamheidsprogramma’s en zorgteams worden ingezet. De mantelzorgers/familieleden gaan meer doen. Maar de levenslust keert er niet van terug, hoeveel je iemand ook omringt – en dat terwijl mevrouw toch niet depressief is. De ‘oplossing’ wordt gezocht in omringen van de kwetsbare oudere, waardoor deze letterlijk in het leven blijft.

Direct doemen andere ethische vragen op: hoeveel mag je vragen van mantelzorgers? Hoeveel mag dit kosten? Welke veiligheidsrisico’s loopt mevrouw zo in haar eentje toch nog vele uren per dag? Wie mag beslissen over iemands leven, zijzelf of anderen over haar zonder haar?

Vroeger, voordat we de euthanasiewet hadden, in een tijd dat er medisch veel minder herstel mogelijk was, vond er rond de eindfase allerlei plaats, dat nu voor de rechter zou komen.  Als mevrouw vergat te eten en drinken, dan liet je dat zo; als ze een longontsteking opliep, dan liet je dat zo,  ook zonder niet-behandelen-verklaring of overleg met de familie. Vervolgens zorgde men dat iemand pijnloos bleef en vredig weggleed (palliatie). Nu zouden de kranten bol staan van “verwaarlozing van ouderen” en zorgverleners zouden terecht moeten staan.

Waar leidt mijn verhaal toe? Niet tot een oplossing, want het vraagstuk van (on-)voltooid leven is niet een  ‘probleem’ dat kan worden ‘opgelost’. De ene oplossing (euthanasie) noch de andere oplossing (omringen) doet recht aan de diepere oorzaak van de situatie van mevrouw: dat je nauwelijks meer vanzelf dood gaat en maar door moet modderen met je gebreken. We weten niet hoe om te gaan met gebrekkig oud zijn. Laten we dat erkennen en stil staan bij dit niet-weten.


Vraagverlegenheid

In een eerdere blog[1] kwam ter sprake dat het niet alleen zaliger maar ook makkelijker is hulp te geven dan te erom te vragen. Toch is vragen niet altijd moeilijk. Hoe zit dat precies? Wanneer is vragen moeilijk en wanneer kun je tamelijk makkelijk hulp vragen? In onze groep van Grand Dessert[2], waarover ik eerder schreef, zijn we bij onszelf te rade gegaan om hierin meer inzicht te krijgen. Ieder van ons noemde voorbeelden van situaties of vragen die we lastig vonden. Door de situaties uit te spelen, leerden we wat de “plek der moeite” bij ieder van ons is. Onze inzichten beschrijf ik in deze blog.

“Ik ben geen klusser in huis, dus dat vraag ik aan een goede vriend, die dat wel kan.” Als volwassene is je zelfbeeld wel duidelijk voor je. Je kunt niet alles en daar heb je geen moeite meer mee. Het ontbrekende vragen is dan niet zo moeilijk. Bovendien zit in deze zin verpakt dat je makkelijk vraagt aan “een goede vriend”, aannemende dat hij andersom ook aan jou zal vragen wat jij goed kunt en hij niet. De relatie is in evenwicht, wederkerig.

Het tegenovergestelde blijkt precies de plek der moeite te zijn: vragen wat je volgens je zelfbeeld zelf zou moeten kunnen, vinden we moeilijk. Je kent jezelf als iemand die haar eigen boontjes dopt. Je doet je eigen huishouden, al dan niet met een partner. Als je tijdelijk ziek bent, dan lukt vragen nog wel. Je hoeft je zelfbeeld immers niet aan te passen. Je kunt tijdelijk je huishouden niet doen, maar straks weer wel. Vraagverlegenheid treedt vooral op als je je zelfbeeld moet aanpassen: voortaan ben ik iemand, die niet … (bijv. op een trapje ramen zemen) in haar eigen huishouden kan doen. Vaak zie je dat mensen een omweg zoeken om niet te hoeven vragen: liever vuile ramen dan je buurvrouw vragen deze te lappen.

Als je de tijd hebt, dan lukt het wel om je zelfbeeld aan te passen. Er gaat een – kleiner of groter – rouwproces mee gepaard: ik kan niet meer… en dus moet ik dat vragen. Het lastige van ouder of chronisch ziek worden is, dat je nauwelijks de tijd krijgt voor het rouwproces en de aanpassing van je zelfbeeld: al gauw is er nog iets dat je voortaan niet meer kunt, en nog iets, en nog iets, en de acceptatie ervan kun je niet bijbenen. Je bent dus genoodzaakt vaker die heel moeilijke vraag te stellen: “Kun jij dit voortaan voor mij doen, want ik kan dat – waarschijnlijk – nooit meer.”

Daarmee verandert de relatie met degene aan wie je de vraag stelt. Daar waar je eerst wederkerigheid veronderstelde, wordt die minder vanzelfsprekend. Degene aan wie je dat vraagt, bijvoorbeeld de goede vriend, kan daar ook moeite mee hebben: “Dat kun je toch wel zelf?” Soms veranderen de rollen zelfs helemaal: de moeder wordt afhankelijk van een dochter. Ook bij degene aan wie de vraag gesteld wordt, vindt een (kleiner of groter) rouwproces plaats: je grote sterke, zelfstandige partner/vriendin/moeder is er niet meer.

Dan vragen we liever een professional. Daar is wederkerigheid niet nodig, want de professional wordt beloond met een salaris. Veel liever dan je dochter of je buurvrouw, vraag je een instantie, je verzekering of de overheid om hulp. Dat zouden we wel willen, maar die vlieger gaat niet op: de WMO[3] eist van je dat je eerst je naasten om hulp vraagt voordat je betaalde zorg krijgt.

Dit zijn de inzichten die wij samen opdeden. Zijn ze herkenbaar? Helpt uitgestelde wederkerigheid om die moeilijke vragen toch te stellen? En wat speelt nog meer naar jouw idee bij vraagverlegenheid?

[1] Uitgestelde wederkerigheid, september 2015

[2] De kunst van het ouder worden, april 2016

[3] Wet Maatschappelijke Ondersteuning


Solidariteit tussen generaties

Solidariteit is een term uit de sociaal-democratie van de 19e en 20e eeuw. Daarbij ging het om solidariteit binnen sociaal-economische klassen, met name de arbeiders onderling, en dan in Nederland nog verdeeld naar de zuilen in de maatschappij (katholiek, protestant christelijk, socialistisch). Vandaag de dag is de solidariteit tussen generaties in het geding. In deze blog loop ik enkele voorbeelden na om de stand van zaken te illustreren en om te laten zien dat er nog ongebruikte mogelijkheden zijn voor solidariteit dichtbij huis.

De financiële oudedagsvoorziening is een heikel punt. De huidige ouderen hebben de AOW opgebracht voor de generatie voor hen. Dat doen de werkende generaties van nu ook voor de huidige ouderen. Het probleem is dat er nu zo veel meer ouderen zijn in vergelijking met het aantal werkenden. Vergelijkbare problemen spelen rond de pensioenen. Zal het pensioen voor de huidige werkenden wel zo solide zijn als het nu voor vele (maar niet alle) ouderen is? Of moet er alvast meer gevraagd worden van de huidige pensioentrekkers?

Voor de jonge generatie, die nu gaat studeren, is de financiële solidariteit van andere generaties gering. De studietoelage is net afgeschaft en omgezet in een lening. Dat is prettig voor de belastingbetaler, maar zwaar voor deze generatie. Ze beginnen hun werkend leven al met een schuld. De toezegging dat ze die schuld makkelijk van hun salaris zullen kunnen aflossen is in de huidige tijd van tijdelijke contracten en werkloosheid ongeloofwaardig. Gelukkig zien we dat de generatie van hun ouders, als ze kunnen, financieel bijspringen. Soms door een toelage te verstrekken, soms door de jongere langer gratis kost- en inwoning te geven. Het gebrek aan solidariteit geldt dan vooral voor die jongeren, wier ouders niet zo kapitaalkrachtig zijn.

De conclusie is dat de financiële solidariteit tussen generaties onder druk staat.

Er blijkt een grote solidariteit te zijn tussen de huidige ouderen en de generatie die nu kinderen groot brengt. De huidige zestigers en zeventigers hebben hun kinderen groot gebracht en hun inkomen verdiend zonder veel steun van andere generaties. Kinderopvang was zeldzaam en werd niet of nauwelijks financieel gesteund door de overheid. Die is er nu wel (via belastingen die alle generaties opbrengen) en bovendien zijn er heel veel grootouders die (gratis) de kinderopvang op zich nemen. Deze vorm van solidariteit kan worden uitgebreid buiten familiair verband: ouderen in een buurt kunnen inspringen als de jonge werkende ouders plotseling hulp nodig hebben, bijvoorbeeld een kind van school halen als een zusje of broertje ziek is. Of even in huis oppassen als de loodgieter langs zal komen. Deze eenvoudige, weinig belastende solidariteit zou veel meer kunnen worden uitgebreid.

Uitgestelde wederkerigheid kan een vorm van solidariteit tussen generaties zijn. De regering lijkt die wederkerigheid tussen generaties te willen afdwingen: als je hulp nodig hebt, mag je niet meer direct om professionele hulp vragen: eerst maar eens kijken of er eigen kinderen zijn die de hulp kunnen bieden. Dat is in deze tijd lang niet altijd handig. Volwassen kinderen wonen vaak ver weg en hebben al veel verplichtingen. Te vaak hoor je dat mensen (veelal: vrouwen) naast een baan en gezin nog kilometers rijden om een ouder te verzorgen. Het is veel logischer om de wederkerigheid tussen generaties dichtbij te laten ontstaan. Dat heeft meteen het voordeel dat er geen onderscheid is tussen mensen met en zonder kinderen. Fitte zestigers kunnen diensten verlenen aan tachtigers. Later kunnen de huidige veertigers, als ze zelf zestigers zijn, voor de inmiddels tachtig-jarigen zorgen. Uitgestelde wederkerigheid op lange termijn. De stadsdorpen zijn een voorbeeld van deze vorm van solidariteit.

Ik wil een lans breken voor het vergroten van de solidariteit tussen generaties. Door deeleconomie (mits gratis of tegen kostprijs), uitgestelde wederkerigheid maar ook financieel door belastingen.


Wit organiseren

In de veranderkunde is de taal van de kleuren, die door Leon de Caluwé (later samen met Hans Vermaak) is ontwikkeld, gemeengoed geworden. Onder anderen organisatie-adviseurs en leidinggevenden maken gebruik van deze typologie van strategieën om een geplande verandering in gang te zetten. De meesten hebben een of twee voorkeuren omdat ze nu eenmaal vaste overtuigingen hebben over hoe mensen in beweging komen. Via deze link kan men De Caluwé en Vermaak horen uitleggen welke opvattingen over organiseren de vijf kleuren typeren.

De kleur wit lijkt het minst makkelijk te gebruiken. Kort weergegeven lijkt witdruk-denken (zoals zij het noemen) op Wu wei, het oosterse principe van niet-doen. Er is altijd al beweging, mensen veranderen, maar willen niet veranderd worden. Wie graag wil dat er gerichte verandering plaats vindt, zou de stroom van verandering kunnen proberen te beïnvloeden door obstakels weg te nemen; zoals men een beekje kan verleiden een andere bocht te nemen door grote stenen weg te halen en die elders neer te leggen. Waar precies de verandering uitkomt is niet te zeggen, maar dat is ook niet de bedoeling. Het woord “moeten” komt in het jargon van de witdruk-denker niet voor. Ook ik vond witdruk-denken lastig te gebruiken, totdat ik mede-initiatiefnemer werd van één van de stadsdorpen in Amsterdam.

Alleen mensen die uit zichzelf voelen voor het idee stadsdorp, melden zich aan. En welk idee het dan is, wat een stadsdorp wel of niet is, bepalen ze vervolgens mede zelf. Wie wil doet mee aan een activiteit die iemand anders, die zin heeft, heeft georganiseerd. Op die wijze zijn o.a. een vogel-kijk-groep en een breicafé ontstaan, maar ook een kunstavond. Soms doet iemand een voorstel voor een nieuwe activiteit, maar is niet bereid de organisator ervan te zijn. Dan is die activiteit er dus (voorlopig) niet.

Zodra  “je zou toch eigenlijk moeten” doorklinkt, schrikken mensen terug. Dat is dus één van de obstakels die wij als initiatiefnemers wegnemen: het gevoel dat er iets moet. De binnenbuurten, die bedoeld zijn om met elkaar een vorm van nabuurschap te creëren, kennen zo min mogelijk afspraken. De belangrijkste spelregel is, dat als voor iemand van de binnenbuurt de nood aan man komt, aan alle anderen gevraagd mag worden in hoeverre hij/zij tijd en gelegenheid heeft om een handje te helpen. Men legt zich dus niet tevoren vast om de een of andere dienst te leveren.

Sommigen vinden dat moeilijk te geloven. Niet zelden horen we: “Wat een goed initiatief, zo’n stadsdorp. Maar ik heb het te druk om mee te doen.” We blijven herhalen dat je ook deel kunt uitmaken van het stadsdorp als je niets doet behalve je inschrijven. Men hoeft ook niet te betalen;  immers in een dorp betaal je ook niet om dorpsbewoner te zijn.

Nog een manier waarop het stadsdorp “wit” is georganiseerd, is het creëren van de gelegenheid om elkaar te ontmoeten. Voor de maandelijkse sociëteit hoef je je niet aan- of af te melden. Je kunt gaan als je zin en tijd hebt. De medewerking van een hotel door een ruimte beschikbaar te stellen, maakt het mogelijk zonder vaste kosten de sociëteit te organiseren.

Zo groeit het stadsdorp langzaam maar gestaag. Wij, initiatiefnemers, leren wat wel en niet kan in dit specifieke stadsdorp. Want ook dat is “wit”organiseren: meegaan met de cultuur van deze buurt. En ook wij doen alleen wat we zelf graag willen doen.


Uitgestelde wederkerigheid

In een eerdere blog heb ik de stadsdorpen in Amsterdam genoemd. Als de samenhang in een buurt groeit, groeit de bereidheid om op basis van uitgestelde wederkerigheid elkaar te hulp te komen. In deze blog laat ik zien wat daarmee wordt bedoeld.

Wederkerigheid is “de ene dienst is de andere waard”. Als ik (vandaag) iets voor jou doe, ben je  bereid (morgen) iets voor mij te doen. Dat is dus heel iets anders dan vrijwilligerswerk, waarbij de een de dienst verleent en de andere die dienst ontvangt. De vrijwilliger krijgt er wel voldoening voor terug, maar geen geld of een wederdienst. De ontvanger kan niet anders dan dankbaar zijn. Als je bij jezelf te rade gaat, zul je merken dat een dienst bewijzen veel makkelijker is dan er een dienst (hulp) vragen. Vraagverlegenheid heet dat. Het is niet alleen zaliger te geven dan te ontvangen, het is ook veel makkelijker. Wederkerigheid vinden we prettiger, we houden globaal een denkbeeldige boekhouding bij of we met iemand quitte staan.

Uitgestelde wederkerigheid is een veel ruimere opvatting van wederkerigheid. In een binnenbuurt van een stadsdorp zijn de deelnemers bereid als iemand hulp nodig heeft, die – binnen het mogelijke – te geven. Iedereen is daartoe bereid, niemand weet wie degene zal zijn die hulp nodig heeft.  Je doet wat je kunt en je weet niet wanneer iemand iets voor jou zal doen, maar wel dat – zo nodig – ook jij hulp zult krijgen. Ik heb uitgestelde wederkerigheid wel vergeleken met een verzekering in natura.

Welke omstandigheden zijn bevorderlijk voor het ontstaan van uitgestelde wederkerigheid? In een overleg tussen alle stadsdorpen zijn de eerste bevindingen hierover gedeeld. Een paradoxale situatie blijkt het best te werken, namelijk dat je elkaar wel goed kent maar toch een wat afstandelijk, onpersoonlijk verzoek kunt doen. Dit vergt toelichting.

  • Je moet elkaar kennen; voor vreemden doe je niet zo gauw/graag iets en bovendien wil je ook liever geen vreemde in je huis hebben, juist niet als je hulp nodig hebt. Je bouwt als binnenbuurt eerst plezierige contacten op als voedingsbodem voor onderlinge hulp (en gewoon omdat het leuk is).
  • Je hoeft niet rechtstreeks te vragen. Stel je kunt zes weken niet zelf je boodschappen doen. Dan is het heel moeilijk dat te vragen aan je buurvrouw, want je vreest haar ermee op te zadelen, te zwaar te belasten. Dat denkt die buurvouw zelf ook: “Waar begin ik aan? Wordt het me niet teveel?” Als je echter terecht kunt bij twee mensen van je binnenbuurt, die vraag en aanbod coördineren, dan is dat makkelijker. Deze twee mensen kunnen in de hele binnenbuurt te rade gaan wie tijd en mogelijkheden hebben om een hand toe te steken. Misschien zijn er zes mensen, die elk een week doen. Of misschien doet iemand met een auto in één keer een flinke voorraad en een ander haalt af en toe verse groenten. Vele handen maken licht werk.

Op deze wijze kan iedereen naar vermogen meedoen èn het is makkelijker om te vragen.

Dit zijn de eerste ervaringen van stadsdorpen met uitgestelde wederkerigheid. Vergelijkbare ervaringen hoorden we van “Omzien naar elkaar” in Utrecht. Wat zijn jouw ervaringen?