Category Archives: groepsprocessen

Systemische discriminatie? Nee, bij ons niet… denk ik…

Geraakt door de anti-discriminatie beweging die opnieuw en duidelijk aandacht vraagt, begin je je af te vragen of in jouw organisatie systemische discriminatie is. Je denkt van niet. Je kent jezelf en je medewerkers als ruimdenkend en je hebt geen voorbeelden die je te binnen schieten. Maar systemische discriminatie, indien aanwezig, is niet de optelsom van individuele opvattingen, maar een onopgemerkt deel van de organisatiecultuur. Zou er misschien toch…?

Niets zo praktisch als een goede theorie. De gouden oude theorie van Edgar Schein is bij uitstek geschikt om je vraag te beantwoorden. Schein publiceerde zijn theorie al in de jaren 80 van de vorige eeuw. De cultuur van een organisatie is het geheel van gemeenschappelijke veronderstellingen die de leden van een organisatie hebben, en die is ontstaan uit de wisselwerking tussen de organisatie en diens omgeving. De laatste toevoeging is heel belangrijk: de cultuur is ontstaan om te kunnen overleven als organisatie. Die cultuur wordt wegens succes gehandhaafd. De organisatiecultuur kan worden onderscheiden in drie niveaus.

Het alledaagse niveau is wat je ziet en hoort in je organisatie. Schein noemt dat de laag van de artefacten. Dus de huisstijl, de inrichting van het gebouw, de taal (woordkeus, grappen, formaliteit) van de mensen, de procedures die men volgt, de organisatiestructuur, de kleding op het werk, etc.

Het tweede niveau is het niveau van de opvattingen en waarden die je expliciet aanhangt. Veel organisaties hebben een missie, een visie, een personeelsbeleid, allemaal onderwerpen waarover men een opvatting en een streven heeft vastgelegd.

Het derde niveau zijn de opvattingen die je onbewust en vanzelfsprekend deelt. Schein noemt dit de “basic assumptions” van de organisatie. Een groot deel daarvan zijn tevens “algemeen aanvaard” in de omgeving waar de organisatie zich bevindt. Zonder erover te spreken, neemt iedereen aan dat men wel ongeveer hetzelfde denkt en voelt over deze basis aannames. Jij denkt bijvoorbeeld dat iedereen in jouw organisatie het vanzelfsprekend vindt om niet te discrimineren.

Als je wilt weten of jouw organisatie een inclusieve, niet discriminerende cultuur heeft, onderzoek dan deze drie niveaus en of ze onderling consistent zijn. Dat kun je het best doen onder begeleiding van een buitenstaander. Immers je weet niet wat jullie onbewust vinden, het is je blinde vlek. Neem de vraag aan het begin: bij ons is toch geen discriminatie? Het antwoord vind je als volgt:

In het personeelsbeleid streef je expliciet naar diversiteit. In de advertenties voor nieuw personeel staat een foto van vrolijke collega’s: vijf wit, één zwart, vier mannen, twee vrouwen. Dus op het niveau van de artefacten en op het tweede niveau ziet het er goed uit. In het personeelsbeleid en in de advertentie staat ook:

Wij geloven in teamwerk, samen maken wij ons werk tot een succes. Als dan de kritische vragen worden gesteld om achter het derde niveau te komen, dan blijken er “basic assumptions” te bestaan die strijdig zijn met je expliciete streven naar diversiteit, bijvoorbeeld: “een hecht team ontstaat als je veel gemeenschappelijk hebt” en “never change a winning team” en “je kunt maar beter op zeker spelen in de moeilijke markt waarin wij opereren”. De inclusieve cultuur is er dus wel, maar onder voorwaarden: Wij zijn een hecht team, waar iedereen geacht wordt op eenzelfde manier de schouders eronder te zetten.

Dit is dus het antwoord op je vraag: jullie discrimineren niet op ras of sekse, integendeel, zolang iedereen maar bij het team past, dus“one of the (white) guys” is. De ene zwarte en de twee vrouwen in de advertentie zijn “tokens”, waarover ik eerder schreef. Als je dit eenmaal hebt ontdekt, dan komt de vraag of je die cultuur wilt veranderen en wat dat zou kunnen opleveren.

E.H. Schein, Organizational Culture and leadership


Ieder voor zichzelf of allen voor één?

Vroeger… je hoort de vakbonden mopperen. Vroeger was er solidariteit. Je ging werken, kreeg een vast contract en betaalde verzekeringspremies. En vakbondslidmaatschap.  Dat verzekerde je van risicodekking tegen ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Nu hoor je dat iedereen maar zzp’er moet worden of een tijdelijk contract heeft en dus op geen van genoemde gebieden nog gedekt is. Ieder voor zichzelf… of toch niet?

Is solidariteit verdwenen? Nee, volgens mij niet. Wel komen er andere organisatievormen van solidariteit op. Was het oude idee om zoveel mogelijk (mensen)massa te verzamelen om samen sterk te staan, nu zie je van onderop netwerken ontstaan die klein willen blijven en de nabijheid en persoonlijk contact gebruiken met ondersteuning van digitale middelen. Neem bijvoorbeeld voor zzp’ers de onderlinge verzekering het broodfonds.

Een broodfonds beschermt tegen inkomensverlies door ziekte. (www.broodfonds.nl)   Kleine groepen zzp’ers (tot ca 50 personen) dragen financieel naar omzet bij aan een algemene pot waaruit bij ziekte iemand een dagvergoeding kan ontvangen, meestal voor maximaal 2 jaren. Ze kennen elkaar en organiseren samen hun eigen broodfonds. Niet alleen is dat een buffer om toch je vaste lasten te kunnen betalen als je tijdelijk zonder inkomsten zit door ziekte, het maakt ook dat je niet te vroeg weer aan het werk gaat en zo roofbouw op jezelf pleegt. Het aantal broodfondsen is zo gegroeid, dat verzekeringsmaatschappijen erop inspelen met arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in aansluiting op een broodfonds. Dan is de premie aanmerkelijk lager dan zonder die twee jaar overbrugging.

Kernbegrip in de nieuwe organisatievorm is zelforganisatie. Ook dat is een nieuwe vorm van een oud begrip. Immers veel bedrijven en verzekeringen zijn ooit begonnen als onderlinge coöperatie waar de deelnemers/aandeelhouders zelf in het bestuur zaten. Denk aan coöperatieve melkfabrieken en onderlinge verzekeringen per beroepsgroep ( bijv. OHRA – Onderlinge ziektekostenverzekeringen voor Hoogere RijksAmbtenaren). Echter die zijn uitgegroeid tot anonieme, bureaucratische molochen.

Het gaat om de menselijke maat. De groep kan wat het individu alleen niet kan, maar de groep moet in omvang zo beperkt blijven dat je iedereen kunt kennen. Dan ontstaat de waardevolste basis die je hebben kunt: vertrouwen dat je elkaar zult steunen als het nodig is.


Applaus voor wie meedoet!

In 27 buurten van Amsterdam creëren de bewoners een stadsdorp. Het woord zegt het al: een dorp in de stad. We creëren cohesie in de buurt door leuke dingen met elkaar te doen, en zo ontstaat een basis om elkaar te ondersteunen als de nood aan de man of vrouw is. Zie ook mijn blog Stadsdorpen in Amsterdam. Bij mij in de buurt is het stadsdorp VondelHelmers.

We bestaan nu vijf jaar en het stadsdorp leeft. Een stadsdorp wordt veelal gedragen door fitte 60-plussers. Zij organiseren de bijeenkomsten, activiteiten en ontmoetingen en al doende leren mensen elkaar kennen. Het is heel begrijpelijk dat juist de 60-plussers – onder wie ikzelf – de organisatie op zich nemen. Zij hebben de tijd en zin om dat te doen. Jongeren hebben het veel te druk, 80-plussers hebben vaak al een dagtaak aan zichzelf. Het werkt! We hebben dat gevierd met een buurtfeest.

Terugkijkend op die vijf jaren, zie ik hoe het organiseren het minst belangrijke deel van het verhaal is. Je kunt nog zoveel organiseren, als er geen mensen meedoen, is er niets. Geen beweging, geen stadsdorp. Het is immers geen bedrijf, waar je met het arbeidscontract in de hand mensen tot meedoen kunt brengen. Voor het welslagen van een beweging, een dorp, een (burger)initiatief zijn de deelnemers het belangrijkst. Mooi woord ook: deel-nemer.

Applaus voor de deelnemer! Je hoeft echt niet naar elke bijeenkomst te komen.  Door je in te schrijven als deelnemer, af en toe te komen of te laten weten dat je prijs stelt op het stadsdorp (of een ander initiatief) – daardoor groeit en leeft het.

Is dit een open deur? Ja, natuurlijk, zul je zeggen. Maar toch gaan de dankwoorden naar de organisatoren of naar de muzikanten op het feest. Ook heel belangrijk en noodzakelijk, maar in deze blog gaat het mij om het belang van deelnemers. Daar wordt m.i. te weinig bewust aandacht aan geschonken, juist ook door die deelnemers zelf.

Maar nu wel! Ben je deelnemer bij een stadsdorp (of bij een ander initiatief)? Geef jezelf een schouderklop: je bent de belangrijkste schakel van de keten.


Anders kijken, anders doen

Op een dag werd ik heel kwaad. In die tijd bedacht en kookte ik elke avond een gezonde maaltijd voor mijn man en vier kinderen. Wat ik ook bedacht, altijd vond wel iemand iets niet lekker. In plaats van een gezellige maaltijd werd het een opgave. Op een dag werd ik zo kwaad, dat ik wegliep met de uitroep: “Jullie nemen maar een kok!”

Op mijn kamer kwam ik tot bedaren en bedacht dat een kok toch niet de oplossing was. We hadden hier een paar problemen bij elkaar: ik moest elke dag verzinnen wat we aten en vervolgens koken. De gezinsleden moesten eten wat de pot schafte en dat vonden ze niet lekker. Misschien konden we het ene probleem met het andere oplossen.

Het is vaak makkelijker om verscheidene problemen samen op te lossen, dan elk apart. Wat daarvoor nodig is, is anders naar hetzelfde kijken ofwel wisselen van perspectief. Hoe doe je dat? Een recept ervoor bestaat niet, het lijkt een beetje op een cryptogram oplossen. Ineens zie je het anders. Maar er zijn wel hulpmiddelen. Kijk eerst eens vanuit iemand anders positie naar de situatie: wat ziet een kind aan tafel? Een bord eten waar hij geen trek in heeft en zijn moeder met een stuurs gezicht als hij dat eerlijk zegt.

Als je daarna uitzoomt, van een afstand kijkt, zie je hetzelfde anders. In plaats van de één wil dit, de ander dat en ik moet alles oplossen, zag ik ineens: we willen allemaal lekker eten in een gezellige sfeer en hebben er allemaal de pest in dat dat niet lukt. In dit geval werd het perspectief: ik ben de moeder en moet voor de gezonde maaltijd zorgen die bovendien iedereen lekker vindt veranderd in:  de maaltijd is belangrijk voor ons allemaal en dus ook ieders verantwoordelijkheid.

Ik liep weer naar beneden, waar iedereen beduusd aan tafel zat. Ik stelde het volgende voor: elk van ons zessen verzint één dag per week wat we eten, maar wel van de schijf van vijf. Snackbar- voedsel hoort daar niet bij, dat eten we een keer per 14 dagen, zonder groenten. Ik kook wat iedereen kiest, vanaf 15 jaar doe je zelf inkopen en kookt met mijn hulp. Mijn voorstel werd aangenomen.

Het was even wennen, maar het werkte geweldig. De kinderen leerden wat gezond eten was, ik hoefde niet meer alles alleen te doen. Uiteindelijk konden ze allemaal koken toen ze het huis uitgingen. Op een dag kookte ik weer iets dat iemand niet lekker vond. De jongste nam het voor me op: “Het is Mamma’s dag, zij mag vandaag zeggen wat we eten.”

Wisseling van perspectief doet een beroep op je creativiteit. Bruikbaar in werk èn privé.


Wie heeft het voor het zeggen?

In Nederland werkt autoritair leiderschap niet bij professionals. Vaak wordt van professionals verwacht dat ze samenwerken in teams. Dat ontaardt niet zelden in een enorme vergaderdruk omdat onduidelijk is hoe ze samen tot besluiten moeten komen.  

Neem een sectie van vakgenoten in een school voor voortgezet onderwijs. Zij hebben veel besluiten samen te nemen, zoals welke lesmethode zullen we gebruiken? Hoe zorgen we voor doorlopende leerlijnen door de jaren heen? Hoe toetsen we de leerlingen? De besluiten beïnvloeden het werk van elke leraar èn de kwaliteit van het onderwijs als geheel.

Er wordt min of meer bij meerderheid van stemmen beslist of men blijft praten tot men het eens is (unanimiteit). Geen van beide werkt goed. Meerderheid van stemmen heeft vaak tot gevolg dat tegenstanders het besluit niet uitvoeren of dat men voordat het besluit goed en wel in werking is, al weer voorstelt nieuw beleid te maken. En unanimiteit bereiken duurt eindeloos, tot mensen meegaan in een compromis dat niemand echt bevalt. Hieronder geef ik enkele vuistregels voor besluitvorming in een team van gelijken, met een primus inter pares.

Maak bij het nemen van besluiten onderscheid tussen beleid (of plan) formuleren en vaststellen en beleid uitvoeren. Alle vragen in het voorbeeld van de sectie betreffen het formuleren en vaststellen van beleid. In deze fase is consent van groot belang, omdat anders het risico bestaat dan mensen weliswaar “ ja” hebben gezegd, maar er niet achter staan en in praktijk “nee” doen.

Consent wil zeggen dat de minderheid, die ziet dat hij de minderheid vormt, bereid is het meerderheidsstandpunt te dragen, zonder dat deze minderheid zijn mening hoeft te wijzigen. Dus:”Ik blijf het een slecht idee vinden, maar ik zal het met volle inzet uitvoeren.”Om zo ver te kunnen komen, is zorgvuldige meningsvorming nodig. Als zich een minderheid aftekent, zal de meerderheid eerst goed moeten luisteren om te zien of er een aanpassing mogelijk is in het voorgenomen besluit om aan de bezwaren van de minderheid tegemoet te komen.

Zorg vooraf voor een uitweg als consent toch niet haalbaar is. Dat betekent dat iemand van het team als geheel het recht krijgt om een besluit te nemen als consent niet bereikt wordt doordat een minderheid tegen blijft. Dat moet natuurlijk vooraf worden bepaald, want tijdens een impasse zou er ook een impasse ontstaan wie dat deze bevoegdheid krijgt. Dat is de primus inter pares, die voor een periode of voor een langere tijd door het team kan worden aangewezen.

Als het besluit is genomen, d.w.z. het beleid is bepaald, geef dan mandaat aan de uitvoerders. Als eenmaal een besluit is gevallen en iemand (of iedereen) neemt de uitvoering op zich, geef dan de vrije hand in zaken die hij/zij tegenkomt bij de uitvoering, zolang die binnen het afgesproken beleid blijven.

Dan is het uitvoeren van het vastgestelde beleid namens een team een plezierige opdracht en voor de anderen geen kopzorg.


De kunst van het ouder worden

Er zijn van die perioden in je leven dat je van de ene fase naar de andere toegroeit. In een eerdere blog heb ik de overgang van student naar zelfstandige beroepskracht besproken. In deze blog gaat het over de overgang van de fase van betaald-werken naar wat wel de derde levensfase wordt genoemd: niet-meer-betaald-werken en steeds ouder worden.

Als het lukt je levenskunst te handhaven of te vinden in de derde levensfase, dan kan deze het ”grand dessert” van je leven worden. Dat is echt een kunst, want op veel gebieden moet je jezelf opnieuw uitvinden. Wat doe je de hele dag? Waar geef je je energie aan, waaraan niet meer? Wat is de zin van het leven in deze fase? Hoe ga je om met de ongemakken van je ouder wordend lichaam? Dit zijn voorbeelden van thema’s die spelen.

Bij de overgang van de ene fase naar de andere kan een konvooi plezierig en behulpzaam zijn. Een konvooi is een groep mensen, die met je meevaart op de stroom van het leven, zoals koopvaardijschepen samen met elkaar varen ter onderlinge bescherming. Het begrip komt van de ontwikkelingspsycholoog Erikson, die de sociale ontwikkeling van baby tot bejaarde beschreef. In elke levensfase heb je zo’n konvooi nodig. Dat kan een vaste groep mensen zijn (familie of vrienden) maar ook een groep die je voor de gelegenheid creëert.

Grand Dessert is zo’n tijdelijk konvooi. Een groep mensen (maximaal 12) komt een aantal keren bijeen. Met elkaar bepalen ze de thema’s die aan de orde zullen komen en iedereen verbindt zich om één of meer thema’s uit te werken tot een bijeenkomst. Vervolgens worden die bijeenkomsten gehouden. De eerste groep Grand Dessert heeft zo acht bijeenkomsten met elkaar gehouden met zeer uiteenlopende vorm en inhoud. Dat komt doordat alle deelnemers hun eigen talenten en ervaringen inbrengen bij het vorm en inhoud geven aan een thema. Soms organiseert iemand een thema alleen, soms vindt een subgroep elkaar bij de voorbereiding.

Met of zonder begeleiding? De eerste groep Grand Dessert, die is ontstaan op initiatief van de Stichting Bij de Tijd, heeft gebruik gemaakt van een externe begeleider. Nu we in die eerste versie de werkende principes met elkaar hebben ontdekt, gaan sommigen van ons verder met nieuwe groepen. Dan werken we niet als extern begeleider, maar als deelnemer-met-ervaring. Meedoen met Grand Dessert maakt iedereen wijzer.

Wil je meer weten over Grand Dessert, meedoen of er zelf één opzetten? Kijk dan hier voor meer informatie.


Wit organiseren

In de veranderkunde is de taal van de kleuren, die door Leon de Caluwé (later samen met Hans Vermaak) is ontwikkeld, gemeengoed geworden. Onder anderen organisatie-adviseurs en leidinggevenden maken gebruik van deze typologie van strategieën om een geplande verandering in gang te zetten. De meesten hebben een of twee voorkeuren omdat ze nu eenmaal vaste overtuigingen hebben over hoe mensen in beweging komen. Via deze link kan men De Caluwé en Vermaak horen uitleggen welke opvattingen over organiseren de vijf kleuren typeren.

De kleur wit lijkt het minst makkelijk te gebruiken. Kort weergegeven lijkt witdruk-denken (zoals zij het noemen) op Wu wei, het oosterse principe van niet-doen. Er is altijd al beweging, mensen veranderen, maar willen niet veranderd worden. Wie graag wil dat er gerichte verandering plaats vindt, zou de stroom van verandering kunnen proberen te beïnvloeden door obstakels weg te nemen; zoals men een beekje kan verleiden een andere bocht te nemen door grote stenen weg te halen en die elders neer te leggen. Waar precies de verandering uitkomt is niet te zeggen, maar dat is ook niet de bedoeling. Het woord “moeten” komt in het jargon van de witdruk-denker niet voor. Ook ik vond witdruk-denken lastig te gebruiken, totdat ik mede-initiatiefnemer werd van één van de stadsdorpen in Amsterdam.

Alleen mensen die uit zichzelf voelen voor het idee stadsdorp, melden zich aan. En welk idee het dan is, wat een stadsdorp wel of niet is, bepalen ze vervolgens mede zelf. Wie wil doet mee aan een activiteit die iemand anders, die zin heeft, heeft georganiseerd. Op die wijze zijn o.a. een vogel-kijk-groep en een breicafé ontstaan, maar ook een kunstavond. Soms doet iemand een voorstel voor een nieuwe activiteit, maar is niet bereid de organisator ervan te zijn. Dan is die activiteit er dus (voorlopig) niet.

Zodra  “je zou toch eigenlijk moeten” doorklinkt, schrikken mensen terug. Dat is dus één van de obstakels die wij als initiatiefnemers wegnemen: het gevoel dat er iets moet. De binnenbuurten, die bedoeld zijn om met elkaar een vorm van nabuurschap te creëren, kennen zo min mogelijk afspraken. De belangrijkste spelregel is, dat als voor iemand van de binnenbuurt de nood aan man komt, aan alle anderen gevraagd mag worden in hoeverre hij/zij tijd en gelegenheid heeft om een handje te helpen. Men legt zich dus niet tevoren vast om de een of andere dienst te leveren.

Sommigen vinden dat moeilijk te geloven. Niet zelden horen we: “Wat een goed initiatief, zo’n stadsdorp. Maar ik heb het te druk om mee te doen.” We blijven herhalen dat je ook deel kunt uitmaken van het stadsdorp als je niets doet behalve je inschrijven. Men hoeft ook niet te betalen;  immers in een dorp betaal je ook niet om dorpsbewoner te zijn.

Nog een manier waarop het stadsdorp “wit” is georganiseerd, is het creëren van de gelegenheid om elkaar te ontmoeten. Voor de maandelijkse sociëteit hoef je je niet aan- of af te melden. Je kunt gaan als je zin en tijd hebt. De medewerking van een hotel door een ruimte beschikbaar te stellen, maakt het mogelijk zonder vaste kosten de sociëteit te organiseren.

Zo groeit het stadsdorp langzaam maar gestaag. Wij, initiatiefnemers, leren wat wel en niet kan in dit specifieke stadsdorp. Want ook dat is “wit”organiseren: meegaan met de cultuur van deze buurt. En ook wij doen alleen wat we zelf graag willen doen.


Uitgestelde wederkerigheid

In een eerdere blog heb ik de stadsdorpen in Amsterdam genoemd. Als de samenhang in een buurt groeit, groeit de bereidheid om op basis van uitgestelde wederkerigheid elkaar te hulp te komen. In deze blog laat ik zien wat daarmee wordt bedoeld.

Wederkerigheid is “de ene dienst is de andere waard”. Als ik (vandaag) iets voor jou doe, ben je  bereid (morgen) iets voor mij te doen. Dat is dus heel iets anders dan vrijwilligerswerk, waarbij de een de dienst verleent en de andere die dienst ontvangt. De vrijwilliger krijgt er wel voldoening voor terug, maar geen geld of een wederdienst. De ontvanger kan niet anders dan dankbaar zijn. Als je bij jezelf te rade gaat, zul je merken dat een dienst bewijzen veel makkelijker is dan er een dienst (hulp) vragen. Vraagverlegenheid heet dat. Het is niet alleen zaliger te geven dan te ontvangen, het is ook veel makkelijker. Wederkerigheid vinden we prettiger, we houden globaal een denkbeeldige boekhouding bij of we met iemand quitte staan.

Uitgestelde wederkerigheid is een veel ruimere opvatting van wederkerigheid. In een binnenbuurt van een stadsdorp zijn de deelnemers bereid als iemand hulp nodig heeft, die – binnen het mogelijke – te geven. Iedereen is daartoe bereid, niemand weet wie degene zal zijn die hulp nodig heeft.  Je doet wat je kunt en je weet niet wanneer iemand iets voor jou zal doen, maar wel dat – zo nodig – ook jij hulp zult krijgen. Ik heb uitgestelde wederkerigheid wel vergeleken met een verzekering in natura.

Welke omstandigheden zijn bevorderlijk voor het ontstaan van uitgestelde wederkerigheid? In een overleg tussen alle stadsdorpen zijn de eerste bevindingen hierover gedeeld. Een paradoxale situatie blijkt het best te werken, namelijk dat je elkaar wel goed kent maar toch een wat afstandelijk, onpersoonlijk verzoek kunt doen. Dit vergt toelichting.

  • Je moet elkaar kennen; voor vreemden doe je niet zo gauw/graag iets en bovendien wil je ook liever geen vreemde in je huis hebben, juist niet als je hulp nodig hebt. Je bouwt als binnenbuurt eerst plezierige contacten op als voedingsbodem voor onderlinge hulp (en gewoon omdat het leuk is).
  • Je hoeft niet rechtstreeks te vragen. Stel je kunt zes weken niet zelf je boodschappen doen. Dan is het heel moeilijk dat te vragen aan je buurvrouw, want je vreest haar ermee op te zadelen, te zwaar te belasten. Dat denkt die buurvouw zelf ook: “Waar begin ik aan? Wordt het me niet teveel?” Als je echter terecht kunt bij twee mensen van je binnenbuurt, die vraag en aanbod coördineren, dan is dat makkelijker. Deze twee mensen kunnen in de hele binnenbuurt te rade gaan wie tijd en mogelijkheden hebben om een hand toe te steken. Misschien zijn er zes mensen, die elk een week doen. Of misschien doet iemand met een auto in één keer een flinke voorraad en een ander haalt af en toe verse groenten. Vele handen maken licht werk.

Op deze wijze kan iedereen naar vermogen meedoen èn het is makkelijker om te vragen.

Dit zijn de eerste ervaringen van stadsdorpen met uitgestelde wederkerigheid. Vergelijkbare ervaringen hoorden we van “Omzien naar elkaar” in Utrecht. Wat zijn jouw ervaringen?


Soort zoekt soort …. tot het niet meer kan

Zeg mij wie uw vrienden zijn en ik zal u zeggen wie u bent. Ook in het tijdperk van netwerken gaat deze oude spreuk op. Vriendengroepen bestaan uit mensen die iets met elkaar gemeen hebben. De spreuk geldt ook voor onszelf: door onze vriendenkring weten we  wie we zijn, het voelt vertrouwd, beschermd.

Wij kiezen onze vrienden en kennissen. Door de grote mobiliteit die al een eeuw lang mogelijk is, zoeken  we vrienden niet meer alleen in onze eigen buurt of dorp. We kiezen, bewust of onbewust, mensen uit die dezelfde waarden, voorkeuren en interesses hebben. Liever fietsen of rijden we een eind, dan dat we vrienden zijn met hen, die te zeer van ons verschillen. Als je je eigen vriendenkring bekijkt, dan kun je zien dat deze bewering klopt.

In sociologische terminologie spreken we van leefstijlen. Je kunt ze ook zelf herkennen – om enkele uitersten te noemen: bij politiek links  en hoog opgeleid hoort de Volkskrant, de Groene Amsterdammer, klassieke concerten, pro multi-culti, duurzaam, bepaalde kleding. Bij politiek rechts en laag opgeleid hoort De Telegraaf (of helemaal geen krant), bingo, André Hazes en (luidruchtige) gezelligheid. Natuurlijk ga je in het maatschappelijk leven ook met mensen van andere leefstijlen om, maar soort zoekt soort in de vrije tijd. Je konvooi in het leven bestaat uit mensen van jouw leefstijl.

Het probleem begint als je (oud en) niet meer gezond bent. De nieuwe wetgeving omtrent gezondheidszorg verplicht ons om zo lang mogelijk thuis te blijven, ook als we daardoor vereenzamen doordat we onze vrienden niet meer kunnen opzoeken. En nog erger wordt het als we definitief in een verpleeghuis moeten worden opgenomen.

De dood schakelt ons allen gelijk en het verpleeghuis begint vast. Want in het verpleeghuis, waar sommigen de laatste jaren van hun leven moeten wonen, ordent men mensen naar de diagnose waarmee ze zijn opgenomen: CVA, dementie, somatisch. Bovendien kom je in dat huis terecht waar het eerst een plaats is, dus op volgorde van de wachtlijst i.p.v. naar keuze. Geen ruimte meer voor de eigen leefstijl. Het feit dat een verpleeghuis voor veel mensen een schrikbeeld is, wordt voor een groot deel veroorzaakt door het feit dat je met mensen van allerlei leefstijlen moet samenwonen in een omgeving die niet op je woning lijkt. Je kunt niet meer kiezen met wie je dagelijks omgaat in de vele vrije tijd die je hebt.

Mensen met een vorm van dementie gaan sneller achteruit doordat ze niets meer herkennen. Zeg me wie mijn vrienden zijn, en ik herken mezelf. Als er mensen om me heen zijn van mijn leefstijl, met dezelfde krant als ik altijd lees, die houden van de spellen die ik altijd speelde, en van dezelfde muziek, als er meubels staan als bij mij thuis, dan weet ik langer wie ik ook al weer ben.

Toch is wonen met behoud van leefstijl – gelukkig –  hier en daar wel mogelijk. Er zijn verpleeghuizen waar men mensen samen laat wonen naar leefstijl. Het mooiste voorbeeld dat ik ken is Hogeweyk in Weesp.

In de verpleeghuiszorg zou meer aandacht voor leefstijlen moeten zijn. Ook met eenvoudige maatregelen kunnen leefstijlgroepen gemaakt worden.

 


Vergaderen de baas

In scholen wordt veelal een middag per week geen les ingeroosterd en dan dienen alle docenten te vergaderen. Het blijkt dat een middag per week te weinig is: de meeste mensen moeten kiezen tussen verschillende gelijktijdige verplichte vergaderingen. We moeten overleggen om samen een doel te bereiken, om het eens te worden, samen een besluit te nemen, draagvlak te krijgen voor een voorstel. Overleg is een kernbegrip in onze (Nederlandse) cultuur.

Vrijwel iedereen die ik ken, vindt vergaderen een noodzakelijk kwaad. We zijn ervan overtuigd dat we erbij moeten zijn. Dat we allemaal moeten meepraten en meebeslissen om tot goede, gedragen besluiten te komen. Vooral in de non-profit sector  leeft deze opvatting. Tegelijkertijd hebben we last van de hoeveelheid tijd en energie die vergaderen opslokt.

Vergaderen als belangrijke manier om processen goed te laten verlopen stamt uit de begintijd van de generaties die nu de baas zijn. Dat zijn de protestgeneratie (geboren tussen 1940 en 1955) en generatie X (geboren tussen 1955 en 1970). Een generatie deelt een aantal waarden, gevormd als ze zijn door hun opvoeders en de culturele en maatschappelijke omstandigheden van hun tijd. Iedere generatie heeft daardoor gedeelde sociale patronen, manieren van doen.

De protestgeneratie heeft vergaande democratisering in de maatschappij gebracht in een tijd zonder mobiele telefoon of internet. Toen waren overleg en vergaderen waaraan iedereen mocht meedoen, een verworvenheid. In de roemruchte jaren eind ’60 en ’70 realiseerde deze generatie een enorme uitbreiding en versterking van formele inspraak en mee-beslissing van alle geledingen in organisaties. Deze generatie is door pensionering jaar na jaar minder aanwezig in organisaties.

Generatie X neemt in alle sectoren nu de leiding over. Deze generatie is goed in verbinden, in het gebruik maken van verschillende kwaliteiten van mensen. Ook zij zijn opgegroeid zonder mobiele telefoons en internet. Overleg is een manier van verbinden van mensen om samen een goed product of dienst te maken. Generatie X is dan ook geneigd om vergaderingen en overleg in stand te houden. Ook al heeft iedereen – zijzelf incluis – vaak het gevoel dat er te veel wordt vergaderd.

Generatie Y (geboren tussen 1985 en 2000) weet niet beter dan dat iedereen aldoor makkelijk bereikbaar is. Overleg gaat snel, bijv. via whatsapp. Deze generatie houdt bovendien van actie; overleg vinden ze in het algemeen energieverslindend. Creëren door (samen) doen is hun motto. De generatie ertussen in, de pragmatische generatie, wil vooral dat hun werk leidt tot nuttig en zichtbaar resultaat. Het woord “draagvlak” gebruiken deze generaties niet.

We kunnen leren van jongere generaties. En generatie X, die zo graag verbindt, is daar zeker toe bereid. Ook de leden van de protestgeneratie, die – nu ze ouder zijn – graag hun steentje maatschappelijk blijven bijdragen, zijn geïnteresseerd in minder vergaderen en in andere vormen van contact.

Dit is een oproep aan jongere generaties om zich niet zwijgend aan te passen aan de vergadercultuur die hen niet bevalt. Je zult merken dat veel ouderen graag meegaan in minder vergaderen en het zoeken van andere vormen van onderling afstemmen.