Category Archives: generaties

Moeder als manager

In mijn vorige drie blogs over gezinnen met kinderen en werkende partners, heb ik het opvoeden en het huishouden als één full time taak beschouwd. In deze  vierde en voorlopig laatste blog belicht ik een belangrijk aspect daarvan, namelijk het management van het gezin. Zelfs als ze beiden vier dagen werken, is moeder de vrouw veelal niet geneigd het management te delen. Zij houdt het overzicht, signaleert, regelt, instrueert, plant.

Management in een gezin is een taak zonder begin en einde, het is er 24/7. Het is als een volcontinudienst zonder ploegenstelsel.

De manier waarop gesproken wordt over de taakverdeling laat zien dat het management bij de moeder ligt. Voor iedereen is een deeltaak: Papadag, Oma-en-Opa-dag, de crêchedag, de schooldag. Maar mamadag?  De hits op internet gaan vooral over Moederdag… Als je wilt dat dit verandert, let dan op je woorden, want ze sturen je gedachten (en van iedereen in het gezin). Dus Pappa past niet op, Pappa is er en zorgt voor alles wat er gedaan moet worden.

Als je toch graag zelf het management doet, doe het dan ook efficiënt. Gebruik de managementtechnieken[1], die ook gelden waar betaald gewerkt wordt, om het draaiend houden van je gezin te stroomlijnen. Een gezin is in veel opzichten een sociale onderneming.

Het begint ermee dat je je focus kiest.  Waar ben je van en waarvan niet? Dat is vergelijkbaar met wat een onderneming doet: wat is mijn core business? Bespreek als partners je visie wat je belangrijk vindt in je gezin; dat doe je al impliciet maar expliciteren helpt. Een gezin kan op heel veel manieren gestalte krijgen. Bij de één is het een zoete inval,  bij de ander wordt veel muziek gemaakt, bij de derde is het huis netjes en schoon op elk moment van de dag. Als je weet wat je echt belangrijk vindt, hou je daar dan ook aan. Dat scheelt enorm veel schuldgevoel, want al het andere is dus niet van toepassing. Bij de zoete inval kan het niet altijd netjes zijn, wie veel tijd steekt in (samen) musiceren kan niet rust en stilte in huis hebben.  Toen mijn vader met mijn moeder trouwde, zei hij: “Bij mijn moeder mocht altijd alles, ik hoop dat dat bij ons ook kan.” Niet letterlijk natuurlijk, maar in de zin dat er altijd mensen/kinderen konden blijven eten of slapen en initiatieven van de gezinsleden werden aangemoedigd. Deze slogan heb ik mijn hele kindertijd gehoord en mijn ouders hebben het samen waar gemaakt.

Betrek je gezinsleden bij zaken die niet goed gaan. Kinderen, net als mensen op het werk, willen wel veranderen maar niet veranderd worden. Om van je partner maar niet te spreken. Als er altijd vuile was rondslingert, blijf die dan niet zelf opruimen met een steeds slechter wordend humeur. Stel het aan de orde en je zult verbaasd staan van de creatieve oplossingen.

Het helpt zelfs om je gezinsleden af en toe als klanten te beschouwen. De klant is geen koning, het is niet “U vraagt, wij draaien”. Maar je wilt je klanten wel tevreden houden. De maaltijd is een mooi voorbeeld van hoe elke klant iets anders wil. Je gaat uiteraard niet vier maaltijden koken. Maar er zijn wel creatieve vormen waardoor er voor elk wat wils is. Zo heb ik een “pastatafel” ontwikkeld, vergelijkbaar met “rijsttafel”. De pasta is in één schaal, alle dingen die je erin of erbij zou kunnen doen, staan in aparte schaaltjes op tafel: geraspte kaas, tomatensaus, geruld gekruid gehakt, gesneden basilicum, gebakken champignons etc.

Ook bij efficiënt management blijft een gezin met twee werkkringen en twee kinderen een hectisch geheel. Af en toe is de manager dan ook over haar toeren. Misschien heb je dan iets aan de tips in mijn blogs “Spitsuur van het leven”.

 

[1] Ik heb een oud boekje: “Mevrouw als manager”, geschreven door Christiane Collange. Het is humoristisch en het brengt je op ideeën. Nog antiquarisch verkrijgbaar.


Eerlijk zullen we alles delen

Dit is de derde blog in een serie van vier over de combinatie van een gezin en betaald werk.

Zolang er een kind onder de 6 jaar is, zijn de opvoeding en het huishouden samen een full time taak. Het verdienen van een inkomen is dat ook. Twee full time taken voor twee mensen kunnen op elke gewenste manier worden verdeeld. Zodra echter meer dan 1 werkweek betaald gewerkt wordt, overstijgt dat de beschikbare tijd. Die moet dus gekocht en betaald worden (door opvang, huishoudelijke hulp etc.)

Bij veel paren is het bedrag dat vader per uur buitenshuis kan verdienen hoger dan wat moeder per uur kan verdienen.[1] Dit leidt dan tot de financieel voordelige verdeling van buitenshuis en binnenshuis werken waarbij vader veel meer uren betaald werkt dan moeder. De roemruchte 1,5 inkomen situatie. Of nog sterker, er wordt gesteld: “Ga jij maar niet werken, want wat je verdient, gaat toch (grotendeels) op aan vergoeding voor kinderopvang/huishouden.”

Dit is niet eerlijk delen, dit is zoveel mogelijk verdienen als economische eenheid (gezin). Indirect verdient moeder nu ook evenveel als vader: immers zij doet de full time taak die niet rechtstreeks met geld wordt beloond, waardoor vader zijn uren kan werken.

Wat is wel eerlijk delen? Er is één taak,  die 40 uren werk vergt verspreid over 24/7, maar niets handje contantje oplevert. Het is echter een heel belangrijke gezamenlijke taak: het opvoeden van kinderen (en daar hoort het huishouden bij). Eerlijk is dan :ieder voor de helft verantwoordelijk. Inkomen verdienen is ook één full time taak: ieder voor de helft verantwoordelijk.

De uren die vader betaald werkt in de tijd dat hij verantwoordelijk is voor de thuistaak, moet hij zelf voor vervanging zorgen. Hij betaalt dus de oppas, huishoudelijke hulp of wat hij maar nodig acht en zorgt ook dat die er is. En voor moeder geldt hetzelfde. Ook zij kan kiezen om haar halve week thuistijd uit te besteden. Als ze samen besluiten dat hij zijn vrouw inhuurt voor de helft die hij verantwoordelijk is (zij is thuismoeder, hij de enige kostwinner[2]) dan is het eerlijk om dat te laten terugkomen in de verdeling van het inkomen.

Daarbij helpt de nieuwe wetgeving, waarbij  het huwelijk standaard op huwelijkse voorwaarden wordt gesloten. Juist voor niet of weinig betaald-werkende partners kan dit een goede zaak zijn, als je even de moeite neemt om eerlijke voorwaarden te maken. Dat is het geval bij een beding, dat beiden naar rato van het inkomen per maand geld bijdragen aan de gemeenschappelijke huishoudpot. Aan het eind van het jaar moet dan verrekend worden: wat ieder aan verdiend geld over heeft, wordt opgeteld en ieder krijgt de helft. Zo wordt het geld dat de niet-betaald-werkende ouder indirect heeft verdiend, zichtbaar en aan haar uitbetaald, na aftrek van de kosten van levensonderhoud van allen.

Waarom is het belangrijk om hier zo mee officieel en duidelijk mee om te gaan? Je maakt zo je keuzes bewust èn je opvatting over wat eerlijk delen is. Dat voorkómt latere wrok als de consequenties van je keuzes merkbaar worden: heb je veel buitenshuis gewerkt, dan heb je veel gemist van het opgroeien van je kinderen  en als je veel thuis hebt gewerkt,  kan het zijn dat je salaris achter blijft lopen door je deeltijd-carrière.

[1] Soms is het natuurlijk juist andersom of zijn het twee mannen/twee vrouwen. Voor de leesbaarheid bespreek ik maar één verdeling, nl die het meeste voorkomt.

[2] Grappig genoeg zie je tegenwoordig vaak “kostwinnaar” – alsof het een prijs in een loterij is.


Een goede buur is beter dan een verre vriend

In mijn tienerjaren beschouwde ik buren vooral als sociale controle. In de provinciestad waar ik woonde, wist iedereen in de buurt erg veel van elkaar en men vond er ook van alles van. Gelukkig was er geen universiteit in deze stad, dus ik vertrok opgewekt naar Amsterdam, waar ik genoot van de anonimiteit. Wie mijn buren waren, wist ik niet of nauwelijks en dat was precies wat ik wilde.

Heerlijk om mijn vrienden te kunnen kiezen. Waar ze woonden, om de hoek of aan de andere kant van de stad, was onbelangrijk. Als ze verhuisden, dan zochten we elkaar op. Met de komst van internet werden de mogelijkheden voor contact op afstand groter. Met Skype of FaceTime kun je gesprekken voeren alsof je bij elkaar thuis bent. Ook de gezinsleden verspreidden zich over heel Nederland. De band bleef even goed.

Maar nu denk ik daar anders over.  De verzorgingsstaat is drastisch verminderd. Er wordt geëist dat de omgeving voor je zorgt tot het einde. Allereerst wordt gekeken naar familie, ongeacht waar ze wonen. Ik merk dat bij de zorg rondom mijn oude moeder. Wij kinderen reizen van alle kanten uit Nederland naar haar toe. Inmiddels is ze zo geestelijk en lichamelijk achteruit gegaan dat ze recht heeft op een van de schaarse plekken van verzorgd wonen. Maar waar niet is, verliest de keizer zijn recht. Verder dan een wachtlijst is ze nog niet gekomen. Lichamelijke zorg is wel verzekerd via de WLZ, maar alle overige hand- en spandiensten (opruimen, boodschappen, even ergens naartoe gaan) niet.

Buren zouden veel makkelijker de dagelijkse hand- en spandiensten kunnen verrichten. Dan kunnen familieleden en vrienden op bezoek komen, gewoon voor de gezelligheid maar natuurlijk ook om mee te helpen, bijvoorbeeld met administratie of het regelen van de formele zorg (hetgeen een tijdrovende taak is – weet ik nu). Maar ja, dan moet je je buren niet alleen van gezicht kennen, maar ook een zodanige band hebben opgebouwd dat je bereid bent met zijn allen naar elkaar om te zien. Dus dat komt eerst: een band opbouwen met buren van allerlei leeftijden.

Met dit beeld voor ogen worden in Amsterdam stadsdorpen gecreëerd. Dorpen in de stad. Op www.stadsdorpenamsterdam.nl kun je ze allemaal vinden. De stadsdorpen verschillen naar de aard van de buurt, maar overal vinden de deelnemers dat hun buurt gezelliger is geworden en dat ze daardoor gemakkelijker elkaar een handje zullen toesteken als dat nodig is.

De uitdaging is om een dorp te creëren met modern nabuurschap, maar te veel sociale controle te vermijden.


Applaus voor wie meedoet!

In 27 buurten van Amsterdam creëren de bewoners een stadsdorp. Het woord zegt het al: een dorp in de stad. We creëren cohesie in de buurt door leuke dingen met elkaar te doen, en zo ontstaat een basis om elkaar te ondersteunen als de nood aan de man of vrouw is. Zie ook mijn blog Stadsdorpen in Amsterdam. Bij mij in de buurt is het stadsdorp VondelHelmers.

We bestaan nu vijf jaar en het stadsdorp leeft. Een stadsdorp wordt veelal gedragen door fitte 60-plussers. Zij organiseren de bijeenkomsten, activiteiten en ontmoetingen en al doende leren mensen elkaar kennen. Het is heel begrijpelijk dat juist de 60-plussers – onder wie ikzelf – de organisatie op zich nemen. Zij hebben de tijd en zin om dat te doen. Jongeren hebben het veel te druk, 80-plussers hebben vaak al een dagtaak aan zichzelf. Het werkt! We hebben dat gevierd met een buurtfeest.

Terugkijkend op die vijf jaren, zie ik hoe het organiseren het minst belangrijke deel van het verhaal is. Je kunt nog zoveel organiseren, als er geen mensen meedoen, is er niets. Geen beweging, geen stadsdorp. Het is immers geen bedrijf, waar je met het arbeidscontract in de hand mensen tot meedoen kunt brengen. Voor het welslagen van een beweging, een dorp, een (burger)initiatief zijn de deelnemers het belangrijkst. Mooi woord ook: deel-nemer.

Applaus voor de deelnemer! Je hoeft echt niet naar elke bijeenkomst te komen.  Door je in te schrijven als deelnemer, af en toe te komen of te laten weten dat je prijs stelt op het stadsdorp (of een ander initiatief) – daardoor groeit en leeft het.

Is dit een open deur? Ja, natuurlijk, zul je zeggen. Maar toch gaan de dankwoorden naar de organisatoren of naar de muzikanten op het feest. Ook heel belangrijk en noodzakelijk, maar in deze blog gaat het mij om het belang van deelnemers. Daar wordt m.i. te weinig bewust aandacht aan geschonken, juist ook door die deelnemers zelf.

Maar nu wel! Ben je deelnemer bij een stadsdorp (of bij een ander initiatief)? Geef jezelf een schouderklop: je bent de belangrijkste schakel van de keten.


Anders kijken, anders doen

Op een dag werd ik heel kwaad. In die tijd bedacht en kookte ik elke avond een gezonde maaltijd voor mijn man en vier kinderen. Wat ik ook bedacht, altijd vond wel iemand iets niet lekker. In plaats van een gezellige maaltijd werd het een opgave. Op een dag werd ik zo kwaad, dat ik wegliep met de uitroep: “Jullie nemen maar een kok!”

Op mijn kamer kwam ik tot bedaren en bedacht dat een kok toch niet de oplossing was. We hadden hier een paar problemen bij elkaar: ik moest elke dag verzinnen wat we aten en vervolgens koken. De gezinsleden moesten eten wat de pot schafte en dat vonden ze niet lekker. Misschien konden we het ene probleem met het andere oplossen.

Het is vaak makkelijker om verscheidene problemen samen op te lossen, dan elk apart. Wat daarvoor nodig is, is anders naar hetzelfde kijken ofwel wisselen van perspectief. Hoe doe je dat? Een recept ervoor bestaat niet, het lijkt een beetje op een cryptogram oplossen. Ineens zie je het anders. Maar er zijn wel hulpmiddelen. Kijk eerst eens vanuit iemand anders positie naar de situatie: wat ziet een kind aan tafel? Een bord eten waar hij geen trek in heeft en zijn moeder met een stuurs gezicht als hij dat eerlijk zegt.

Als je daarna uitzoomt, van een afstand kijkt, zie je hetzelfde anders. In plaats van de één wil dit, de ander dat en ik moet alles oplossen, zag ik ineens: we willen allemaal lekker eten in een gezellige sfeer en hebben er allemaal de pest in dat dat niet lukt. In dit geval werd het perspectief: ik ben de moeder en moet voor de gezonde maaltijd zorgen die bovendien iedereen lekker vindt veranderd in:  de maaltijd is belangrijk voor ons allemaal en dus ook ieders verantwoordelijkheid.

Ik liep weer naar beneden, waar iedereen beduusd aan tafel zat. Ik stelde het volgende voor: elk van ons zessen verzint één dag per week wat we eten, maar wel van de schijf van vijf. Snackbar- voedsel hoort daar niet bij, dat eten we een keer per 14 dagen, zonder groenten. Ik kook wat iedereen kiest, vanaf 15 jaar doe je zelf inkopen en kookt met mijn hulp. Mijn voorstel werd aangenomen.

Het was even wennen, maar het werkte geweldig. De kinderen leerden wat gezond eten was, ik hoefde niet meer alles alleen te doen. Uiteindelijk konden ze allemaal koken toen ze het huis uitgingen. Op een dag kookte ik weer iets dat iemand niet lekker vond. De jongste nam het voor me op: “Het is Mamma’s dag, zij mag vandaag zeggen wat we eten.”

Wisseling van perspectief doet een beroep op je creativiteit. Bruikbaar in werk èn privé.


Idealen en illusies

Wij, van de tweede feministische golf, wij wilden een flinke stap voorwaarts maken in de ontwikkeling van de maatschappij. Een maatschappij waarin vrouwen en mannen gelijkwaardig zouden zijn. En dat probeerden we vooral ook voor te leven. In de omgang met onze collega’s en in de opvoeding van onze kinderen. Grote idealen, die deels bereikt zijn maar deels ook illusies zijn gebleken.

Mijn beroep, organisatie-adviseur, was eind jaren ‘70 een mannenberoep. Ik had er onderzoek naar gedaan, als afronding van mijn studie: 99% mannen, 1 % vrouwen. Daarmee waren wij vrouwen tokens, eenlingen en uitzondering in onze werkomgeving, met alle voor- en nadelen van dien, die ik twee vorige blogs heb beschreven. [i]

Thuis probeerde ik twee kleine jongens  met minder vooroordelen over mannen en vrouwen groot te brengen. Bij het voorlezen van verhaaltjes van Jip en Janneke, zette ik een kruisje bij alle hoofdstukken waar ik Jip en Janneke verwisselde, want Janneke was altijd bang en bezorgd en Jip altijd moedig en roekeloos. En uiteraard leefden wij voor dat Pappa en Mamma allebei werkten en allebei om en om thuis waren. Naar rato van ons inkomen deelden we onze financiën.

Op de speelzaal waar de oudste naartoe ging, hield de leidster kringgesprekken met de peuters. Op een dag vroeg ze of de kinderen wisten waar de Pappa’s en Mamma’s waren. Ja, dat wisten de kinderen. Die waren naar hun werk. Soms wisten ze zelfs wat voor soort werk dat was. Waarom waren de Pappa’s naar hun werk? Alle kinderen wisten het: “Om geld te verdienen.” En waarom waren de Mamma’s naar hun werk? Grote aarzeling, geen antwoord. Tja, waarom? Eén kind opperde: “Misschien omdat ze het leuk vindt?”

De conclusie was helaas duidelijk: Pappa’s verdienen geld en Mamma’s zijn zich aan het ontplooien. Op voor mij raadselachtige wijze hadden we dat duidelijk gemaakt aan onze peuters. Ik moest er wel om lachen, maar vond het ook om te huilen.

Het bleek dus een illusie, dat je in één generatie een grote verandering kunt bewerkstelligen. Wel kun je streven naar een nieuwe ontwikkeling. Nadat ik dit had geaccepteerd, bleek het ook veel positiefs te brengen: ik was meer ontspannen en realistischer in de opvoeding van mijn kinderen.

Geldt ditzelfde niet ook voor integratie? In één generatie lukt het niet, maar je moet wel in elke generatie blijven streven om vorderingen te maken.

 

 [i]  “Jij bent een uitzondering” en “Gefeliciteerd, jij bent een uitzondering

 

 

 

 

 


Leermeester

Het is een voorrecht als je aan het begin van je loopbaan een leermeester vindt, bij wie je als gezel bij een meester kunt leren. Ik wilde lid worden van het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen) en daarvoor moest ik een jaar supervisie krijgen. Zo werd Max Rubinstein mijn leermeester. Hij was een prominent organisatie-adviseur in de school van organisatie-ontwikkeling. Vijftien jaar later werd ik zijn collega. In deze blog vertel ik over één van de vele dingen die ik van hem leerde: het afronden van een opdracht.

Het afronden van een opdracht is een interventie. In veel adviesopdrachten krijgt de afronding niet veel aandacht. Even goedendag zeggen en op naar de volgende opdracht. Max leerde me om goed na te denken om zó afscheid te nemen, dat ofwel de beoogde verandering een duwtje in de goede richting krijgt, ofwel bezinning optreedt of men wel op de goede weg is.

Pontificaal afscheid als start van iets nieuws. Een kleine landelijke stichting op het vlak van jeugdzorg moest ten gevolge van nieuw kabinetsbeleid decentraliseren. Dat wil zeggen dat de medewerkers onderdak moesten krijgen bij diverse provinciale organisaties op het gebied van jeugdzorg en dat aan het eind van het jaar de landelijke stichting werd opgeheven. De opheffing – tevens het eind van onze opdracht –  werd op advies van Max met een feest gevierd. En tot mijn verrassing bood Max aan dat wij als adviseurs een sketch zouden opvoeren over het hele proces. We zouden dat nu terugspeeltheater noemen. Door het feest werd het makkelijker voor de medewerkers om afscheid van elkaar te nemen en over te stappen naar hun nieuwe, provinciale werkgever.

Teruggeven van de opdracht. Als je de indruk hebt, dat een opdracht niet verloopt zoals is afgesproken en als de klant ook niet in staat of bereid is dit bij te stellen, dan geef je de opdracht terug. En ook dat is een interventie. Altijd leidt het tot bezinning: soms ziet men in, dat men beter ten halve kan keren dan ten hele dwalen (en dan eindigt het project), maar soms komt men tot het besluit dat de opdracht moet worden bijgesteld, waardoor je je beiden erin kunt vinden.

Timing van het moment van afscheid. Vooral bij langdurige opdrachten waarin een ontwikkeling in gang moet worden gezet, is het onduidelijk wanneer precies de opdracht is afgelopen. Blijf dan vooral niet langer dan nodig is, bijvoorbeeld omdat je het zelf nog zo leuk vindt of omwille van de omzet. Ik heb geleerd om mijn vertrek aan de orde te stellen zodra ik voldoende signalen zie dat de ontwikkeling ook zonder mij wel zal doorgaan.

Geen wonder dat ik ook mijn eigen afscheid van betaald werk zorgvuldig heb vorm gegeven. Ik maak met allerlei mensen met wie ik heb gewerkt een afspraak. Een keer ook met een aantal mensen tezamen, met wie ik in verschillende perioden heb samengewerkt. Het zijn allemaal boeiende en persoonlijke gesprekken. Dit keer is de afronding niet alleen een interventie om zorgvuldig de relaties van mijn werk af te hechten, maar ook om het mijzelf makkelijker te maken naar de volgende fase van mijn leven over te stappen.

Ik wens alle jonge mensen die nu aan het begin van hun loopbaan staan, een leermeester toe zoals ik heb gehad. En ik wens alle senioren toe dat ze leermeester kunnen zijn.


C.V.

Een curriculum vitae beschrijft je levensloop. Bij het afsluiten van de periode van betaald werk hoort terugkijken naar de loop van mijn werkzaam leven. Wat valt me op, wat van die levensloop is tegelijk een tijdsbeeld, of een voorbeeld van meer algemene mechanismen? Hoe hangt het kleine verhaal van mij samen met grotere verhalen in de maatschappij? In deze blog begin ik bij het begin: de ambitie om betaald te werken.

Mijn grootmoeder van moederskant was in 1900 klaar met de lagere school. Ze groeide op in een gezin van drie jongens en drie meisjes. De jongens moesten doorleren en de meisjes moesten thuis komen om te helpen in het huishouden. Dat was in die tijd gebruikelijk, een meisje ging immers trouwen.  Dat vond mijn grootmoeder heel erg, ze had heel graag willen doorleren. Dat heeft haar ene dochter vaak moeten horen (haar kleinkinderen ook). Het was dan ook vanzelfsprekend dat haar dochter na de lagere school naar de middelbare school zou gaan.

Mijn moeder deed eindexamen gymnasium ß in de oorlog. Na de oorlog mocht ze gaan studeren. Maar wat? Vele malen heeft ze me verteld dat eigenlijk weg- en waterbouwkunde bij haar zou hebben gepast, maar dat werd niet geschikt geacht voor een meisje. Als meisje ging je immers trouwen. Studeren was een tijdelijke bezigheid tot het huwelijk. Afstuderen en daarna werken deed maar een enkeling. Bovendien werden vrouwen in veel functies (overheid, onderwijs) ontslagen op de dag na hun trouwen. Zo studeerde mijn moeder een jaartje Frans. Wat hebben wij, haar dochters, dat vaak moeten horen: dat gaat jullie niet gebeuren, je gaat werken (en natuurlijk een man en kinderen). Een beroep moet je hebben.

Zo ging ik studeren en ik wist wat ik wilde: een beroep waarmee ik mijn eigen geld kon verdienen èn dat ik interessant vond. En zo mogelijk ook man en kinderen. Zo deed ik wat van me verwacht werd, net als mijn moeder en grootmoeder in hun tijd. Ik was in mijn tijd niet de enige: de tweede feministische golf van de jaren ‘70 begon tegelijk met mijn studie. Wij waren de eerste grote groep hoog opgeleide vrouwen, die aan de weg wilde timmeren, dát was ons vaste voornemen.

Toen ik 28 was had ik bereikt wat mijn moeder had willen bereiken. Een man, een part-time baan en  twee kinderen. Nog beter: een man die ook werkte èn voor de kinderen zorgde. En op dat moment was mijn ambitie vervuld. Ik heb een herinnering van mijzelf aan de keukentafel: wat wil ik nou zelf?  Ik had geen idee.

Alle kinderen worden groot gebracht met ambities en verwachtingen van hun ouders. Of die nu hoog of laag zijn. Of je nu mee kreeg  “je moet worden wat je vader ook was” of “jij moet niet mijn fouten maken”: je wordt op pad gestuurd met wat de Transactionele analyse[i] een levensscript noemt: een voorgeschreven levens-loop. Mijn script ging niet verder dan mijn 28e, zoals het script voor mijn moeder niet verder ging dan het eindexamen. We kunnen de geschiedenis alleen stap voor stap veranderen.

Gelukkig heb ik gevonden wat ik wilde. Ik heb 40 jaren betaald werken vol gemaakt. Meer daarover in een volgende blog.

[i] Koopmans, L. (2012) , Dit ben ik! Worden wie je bent met Transactionele Analyse.


Solidariteit tussen generaties

Solidariteit is een term uit de sociaal-democratie van de 19e en 20e eeuw. Daarbij ging het om solidariteit binnen sociaal-economische klassen, met name de arbeiders onderling, en dan in Nederland nog verdeeld naar de zuilen in de maatschappij (katholiek, protestant christelijk, socialistisch). Vandaag de dag is de solidariteit tussen generaties in het geding. In deze blog loop ik enkele voorbeelden na om de stand van zaken te illustreren en om te laten zien dat er nog ongebruikte mogelijkheden zijn voor solidariteit dichtbij huis.

De financiële oudedagsvoorziening is een heikel punt. De huidige ouderen hebben de AOW opgebracht voor de generatie voor hen. Dat doen de werkende generaties van nu ook voor de huidige ouderen. Het probleem is dat er nu zo veel meer ouderen zijn in vergelijking met het aantal werkenden. Vergelijkbare problemen spelen rond de pensioenen. Zal het pensioen voor de huidige werkenden wel zo solide zijn als het nu voor vele (maar niet alle) ouderen is? Of moet er alvast meer gevraagd worden van de huidige pensioentrekkers?

Voor de jonge generatie, die nu gaat studeren, is de financiële solidariteit van andere generaties gering. De studietoelage is net afgeschaft en omgezet in een lening. Dat is prettig voor de belastingbetaler, maar zwaar voor deze generatie. Ze beginnen hun werkend leven al met een schuld. De toezegging dat ze die schuld makkelijk van hun salaris zullen kunnen aflossen is in de huidige tijd van tijdelijke contracten en werkloosheid ongeloofwaardig. Gelukkig zien we dat de generatie van hun ouders, als ze kunnen, financieel bijspringen. Soms door een toelage te verstrekken, soms door de jongere langer gratis kost- en inwoning te geven. Het gebrek aan solidariteit geldt dan vooral voor die jongeren, wier ouders niet zo kapitaalkrachtig zijn.

De conclusie is dat de financiële solidariteit tussen generaties onder druk staat.

Er blijkt een grote solidariteit te zijn tussen de huidige ouderen en de generatie die nu kinderen groot brengt. De huidige zestigers en zeventigers hebben hun kinderen groot gebracht en hun inkomen verdiend zonder veel steun van andere generaties. Kinderopvang was zeldzaam en werd niet of nauwelijks financieel gesteund door de overheid. Die is er nu wel (via belastingen die alle generaties opbrengen) en bovendien zijn er heel veel grootouders die (gratis) de kinderopvang op zich nemen. Deze vorm van solidariteit kan worden uitgebreid buiten familiair verband: ouderen in een buurt kunnen inspringen als de jonge werkende ouders plotseling hulp nodig hebben, bijvoorbeeld een kind van school halen als een zusje of broertje ziek is. Of even in huis oppassen als de loodgieter langs zal komen. Deze eenvoudige, weinig belastende solidariteit zou veel meer kunnen worden uitgebreid.

Uitgestelde wederkerigheid kan een vorm van solidariteit tussen generaties zijn. De regering lijkt die wederkerigheid tussen generaties te willen afdwingen: als je hulp nodig hebt, mag je niet meer direct om professionele hulp vragen: eerst maar eens kijken of er eigen kinderen zijn die de hulp kunnen bieden. Dat is in deze tijd lang niet altijd handig. Volwassen kinderen wonen vaak ver weg en hebben al veel verplichtingen. Te vaak hoor je dat mensen (veelal: vrouwen) naast een baan en gezin nog kilometers rijden om een ouder te verzorgen. Het is veel logischer om de wederkerigheid tussen generaties dichtbij te laten ontstaan. Dat heeft meteen het voordeel dat er geen onderscheid is tussen mensen met en zonder kinderen. Fitte zestigers kunnen diensten verlenen aan tachtigers. Later kunnen de huidige veertigers, als ze zelf zestigers zijn, voor de inmiddels tachtig-jarigen zorgen. Uitgestelde wederkerigheid op lange termijn. De stadsdorpen zijn een voorbeeld van deze vorm van solidariteit.

Ik wil een lans breken voor het vergroten van de solidariteit tussen generaties. Door deeleconomie (mits gratis of tegen kostprijs), uitgestelde wederkerigheid maar ook financieel door belastingen.


Uitgestelde wederkerigheid

In een eerdere blog heb ik de stadsdorpen in Amsterdam genoemd. Als de samenhang in een buurt groeit, groeit de bereidheid om op basis van uitgestelde wederkerigheid elkaar te hulp te komen. In deze blog laat ik zien wat daarmee wordt bedoeld.

Wederkerigheid is “de ene dienst is de andere waard”. Als ik (vandaag) iets voor jou doe, ben je  bereid (morgen) iets voor mij te doen. Dat is dus heel iets anders dan vrijwilligerswerk, waarbij de een de dienst verleent en de andere die dienst ontvangt. De vrijwilliger krijgt er wel voldoening voor terug, maar geen geld of een wederdienst. De ontvanger kan niet anders dan dankbaar zijn. Als je bij jezelf te rade gaat, zul je merken dat een dienst bewijzen veel makkelijker is dan er een dienst (hulp) vragen. Vraagverlegenheid heet dat. Het is niet alleen zaliger te geven dan te ontvangen, het is ook veel makkelijker. Wederkerigheid vinden we prettiger, we houden globaal een denkbeeldige boekhouding bij of we met iemand quitte staan.

Uitgestelde wederkerigheid is een veel ruimere opvatting van wederkerigheid. In een binnenbuurt van een stadsdorp zijn de deelnemers bereid als iemand hulp nodig heeft, die – binnen het mogelijke – te geven. Iedereen is daartoe bereid, niemand weet wie degene zal zijn die hulp nodig heeft.  Je doet wat je kunt en je weet niet wanneer iemand iets voor jou zal doen, maar wel dat – zo nodig – ook jij hulp zult krijgen. Ik heb uitgestelde wederkerigheid wel vergeleken met een verzekering in natura.

Welke omstandigheden zijn bevorderlijk voor het ontstaan van uitgestelde wederkerigheid? In een overleg tussen alle stadsdorpen zijn de eerste bevindingen hierover gedeeld. Een paradoxale situatie blijkt het best te werken, namelijk dat je elkaar wel goed kent maar toch een wat afstandelijk, onpersoonlijk verzoek kunt doen. Dit vergt toelichting.

  • Je moet elkaar kennen; voor vreemden doe je niet zo gauw/graag iets en bovendien wil je ook liever geen vreemde in je huis hebben, juist niet als je hulp nodig hebt. Je bouwt als binnenbuurt eerst plezierige contacten op als voedingsbodem voor onderlinge hulp (en gewoon omdat het leuk is).
  • Je hoeft niet rechtstreeks te vragen. Stel je kunt zes weken niet zelf je boodschappen doen. Dan is het heel moeilijk dat te vragen aan je buurvrouw, want je vreest haar ermee op te zadelen, te zwaar te belasten. Dat denkt die buurvouw zelf ook: “Waar begin ik aan? Wordt het me niet teveel?” Als je echter terecht kunt bij twee mensen van je binnenbuurt, die vraag en aanbod coördineren, dan is dat makkelijker. Deze twee mensen kunnen in de hele binnenbuurt te rade gaan wie tijd en mogelijkheden hebben om een hand toe te steken. Misschien zijn er zes mensen, die elk een week doen. Of misschien doet iemand met een auto in één keer een flinke voorraad en een ander haalt af en toe verse groenten. Vele handen maken licht werk.

Op deze wijze kan iedereen naar vermogen meedoen èn het is makkelijker om te vragen.

Dit zijn de eerste ervaringen van stadsdorpen met uitgestelde wederkerigheid. Vergelijkbare ervaringen hoorden we van “Omzien naar elkaar” in Utrecht. Wat zijn jouw ervaringen?